Sceptici weten de eerste waarnemingen
aan oneffenheden op de lenzen waarmee
amateurs zich tot het nachtuitspansel wendden.
Binnen een half jaar namen de verschijnselen
zodanig in frequentie en hevigheid toe
dat rondom de aarde elf blauwe lichtpunten
’s nachts bij helder weer duidelijk te zien waren.
Hingen daar hemellichamen die er hiervoor
nooit in geslaagd waren hun vlam te ontsteken
of hadden onbekende objecten in hun
nadering op dezelfde tijd ons zicht bereikt?
We stuurden een sonde naar één van de punten
en zagen op de teruggezonden beelden
een gestalte, omhuld door de schrik der eeuwen,
het voorhoofd gekerfd met onvatbare wijsheid,
de voeten naar de aarde, de armen gespreid.
Paniek en verwachting golfden de wereld rond:
de wederkomst van de goden was aanstaande.
Uit de door de af en aan vliegende sondes
gemaakte foto’s koos iedereen zich een god
die hij vond passen bij een hem dierbare leer
of bij wiens aanschijn hij een nieuwe leer ontwierp,
en begaf zich naar de plaats die die eigen god
kennelijk als bestemming had uitverkoren.
Daar werden tribunes gebouwd en altaren
opgericht. Op enkele plaatsen bracht men ook
een offerblok, een brandstapel in gereedheid.
Nieuwe gemeenschappen vestigden hun orde.
Men ververste dagelijks de bloemenhulde
en het witte landingszand in de piste.
Boetvaardigheid beheerste de eerste maanden,
maar toen de kleding weer was aangetrokken,
de zelf toegebrachte wonden waren geheeld,
bleken de funeste verschillen in duiding
van wat de goden bij ons wilden verrichten
en waarom onze tijd daarvoor zo geschikt was.
Driehoeksmetingen hadden toen al laten zien
dat, met de snelheid waarmee de goden daalden,
niet goed te voorspellen viel of ze voor onze
of voor een volgende generatie kwamen.
Natuurlijk kregen de godsdiensttwisten de schuld,
terwijl er in die tijd ook een stroming ontstond
volgens welke de goden hun wederkomst juist
hadden uitgesteld tot het moment waarop ze
alle elf even zeer zouden worden vereerd.
Toch kwamen zij ons onverminderd naderbij.
Op de landingsplaatsen werd niet meer gebeden.
Tersluiks ging men terug naar eerdere woonplaatsen,
want, ongeacht wat men vereerde of hoopte,
groeide bij ieder geleidelijk het besef
dat de goden, als ze dan bij ons zouden zijn,
de tijd zo anders dan wij zouden blijken te
beleven dat wij niets met hen zouden delen
dan dezelfde levensruimte, dezelfde grond.