home

tekst

geluid

links

spul

Ratel[1]

 

 

Sempre la confusion de le persone

principio fu del mal de la cittade

come del vostro il cibo che s'appone

Dante Alighieri, Divina Commedia

 

 

Er is tenslotte niets veranderd

ze blijven binnenkomen met het grondwater

en met de regen dalen ze neer

vanaf hoelang nu al leggen zij hun voorvaderen

niet meer in waden in hun eigen aarde

maar brengen hen onder donker van verre

om hen in een rechte kist in de barre

velden buiten de stadsmuur te vieren

op hun buik, met hun kruin naar voren

in het vertrouwen dat zelfs de dood hun begeerte

om de stad binnen te dringen niet minder

zal kunnen maken, maar alleen taaier

zodat geen twijfel of ongeduld hen tergt

wanneer ze hun armen de knoesten door

de grond in steken, door de klei roeren

en langzaam hun kist naar voren punteren

en het verstrijken van de jaren hen niet stoort

voor ze eindelijk op hun plek arriveren

in de lijn die zich van de begraafplaats uitstrekt

tot onder de kathedraal, de crypte waar

een volgende generatie zal komen, via de slinger

kisten waarvan zij de plankjes voor en achter

alleen maar de grond in hoeven timmeren

om hem in een geschraagde schacht te veranderen

en de stad in te kruipen binnen een paar uur

langs de knoken, tijdelijk terzijde geschaard

vervolgens eerbiedig in bundels gesjord

en vooruit geschoven om onder de zerken

van heiligen, notabelen, geleerden en vorsten

voor eeuwig te rusten in een veilig graf

moeders vertrouwen hun kinderen liever

aan het riool toe dan ze te baren

liefdevol afgedreven zwemmen de embryo’s

stroomopwaarts onder de muren door

hun huid gebleekt door jullie afwaswater

waaruit hun placenta de vetten filtert

die nodig zijn voor hun tegendraadse groei

en als ze hun ogen openen is het eerste

dat ze te zien krijgen jullie drollen, wier vorm

voldragen, gedrongen, hen tot voorbeeld strekt

bij de slurpende opbouw van hun lichaamsstructuur

ze verrijzen uit pleepotten, putten in de straat

en dolen, de navelstreng over de schouder

in gevonden, gestolen of geleende kleren

de stad door die ze aannemen als moeder

en als het circus door de straten paradeert

met praalwagens getrokken door zwarte paarden

vol met beren, leeuwen en tijgers

en tweedehands huifkarren die jullie ginder

hadden achtergelaten omdat jullie iets beters

dachten te hebben, met op de bok danseressen

die een liedje zingen van, ‘waar is onze vader

zijn uitgerekt scrotum is tot huif opgericht

zijn voorhuid aan de nok zakt ons steeds nader

de wielen, gedreven in zijn heupgewricht

snikken en smakken zuigend door het snot

kinds van de pijn, de velgen verrot’

dan zitten zíj schrap in de kolk van de endeldarm

van veertig olifanten met wijdbeense tred

waar ze, tegen de bijtende zuren in zwart

plastic gewikkeld en voorzien van water

en een hol bamboestokje naar buiten door de aars

wachten op de roffel van de grote trom

waarop ze tevoorschijn spatten met een koprol

naar de band van de piste, met een salto achterwaarts

die de vliezen om hen heen doet fladderen

met de voeten landen op elkaars schouders

en het applaus ontvangen voor een geslaagde entree

in een stad die hen zo weer naar buiten zal mieteren

wanneer ze tenminste hun afkomst raadt

want elke avond trekt de ratel naar de muur

met een stuk of drie ernstig kijkende rechters

achter de die dag gearresteerde overtreders

met vaderlijke hand geleid door de gendarmes

naar buiten de stad, door de grote poort

die achter hen dichtvalt, knerpend in zijn scharnieren

dan wordt de sluitbalk bevestigd door de wachters

en blijven jullie bedachtzaam nog even luisteren naar

hun bedeesde voetstappen die zich verwijderen

 

 

Jullie zijn al vergeten hoe verbaasd jullie waren

in de tijd dat ze jullie stad voor het eerst

bezochten, gebogen in lange rijen

onder pakken met zijde, zakken met graan

toen ze nog zongen van, ‘laat ons erdoor

het taaiste rubber stroomt door onze aderen

al onze botten zijn van blank ivoor

die in diamanten gewrichten draaien

onze buikwand is gevoerd met goud, zo zuiver

dat het ieder vervult van verlangen en huiver’

en de stad bevoorraadden in al haar kwartieren

en buitenwijken, dat van de honderd

er nog geen twintig bij hun startpunt weerkeerden

want jullie dachten dat, zolang hun blik naar onder

gericht zou blijven, ze niet jaloers

zouden worden, maar gevels en straatlantarens

hadden hen niet verlokt, noch jullie meubilair

of vrouwen, het waren jullie afvalbergen

en de rijke belofte aan vlees in de stront

van jullie honden, jullie zelfvoldane bedelaars

en de voedzame lucht die jullie straten doorslingert

zodat jullie begonnen hen bij de stadsrand

door beambten te laten ontdoen van hun goederen

en terug te laten sturen door jullie wachters

met knuppels en later met zware geweren

waardoor ook degenen zonder koopwaar

nieuwsgierig werden en jullie kwamen beloeren

waarop jullie de eerste muur hebben opgericht

die beperkter van omtrek was en lager

en die was opgetrokken uit blinkend marmer

uit de zuidelijke groeven, waar de stenen goedkoper

gewonnen kunnen worden, daarna aangevaren

in een akenkonvooi over de rivier

op snelheid gehouden met aan riemen en roer

taailederen slaven, die de lading bewaarden

met hun gezangen van, ‘waar is onze moeder

haar heupvet heeft jullie planken gebreeuwd

haar dierbare botten maalden jullie tot lijmpoeder

om het zeil te prepareren, we horen haar schreeuw

in het kraken van het hout, in het meeuwengetater

en onder ons golven haar tranen als water’

om vervolgens te landen aan deze oever

waar de stenen, overgetakeld met een kraan

op sleden geladen naar de stad werden vervoerd

waar ze tot een naadloos vlak onwrikbaar

sluitend op elkaar werden gemanoeuvreerd

en bekroond met de lijst van de hoge borstwering

maar op de ochtend van zijn wijding deden de wachters

een ontdekking die het bloed stolde van elke burger

aan de binnenkant van de muur gaapte slechts het kader

van de stenen die de stad moesten beschermen

want in elk ervan bleek een holte uitgeboord

die voldoende ruimte bood dat een mens er gekromd

in kon schuilen, die de dekplaat kon verwijderen

met een trap en eenmaal de leden uitgerekt

zijn pijnlijke lijf omlaag kon vieren

om tijdens wat restte van de nacht te speuren

naar onderdak, drank en voldoende voer

en in de maanden daarop bezweek de muur

onder het gewicht van zijn topzware gaanderij

dat de voze stenen onder zich verpulverde

en de grond in drukte, slechts hier en daar

verhief zich een brokstuk, machteloos en fier

juist in de tijd dat de raffinaderij

die ze veertien dagen voor het kelderen

van de prijs van de voor jullie bestemde suiker

gekocht hadden met geld geleend uit jullie woeker

omdat ze van jullie hadden geleerd

dat alleen arme mensen zwoegden op de akkers

waar het riet nu geoogst werd door gemechaniseerde

zeisen die ze van jullie konden huren

voor een prijs die toevallig een week tevoren

verhoogd was, uit zijn schoorsteentoren

purperen rook begon te hoesten, en roet

dat zich vastbeet in hun gekromde rug

kracht onttrok aan hun vlees, water

aan hun bloed en de ziel uit hun lendenen slorpte

tot een ruit van hun paars geworden huidleer

zich loskrulde van hun verwelkte spieren

waarop de dood gedachteloos intrad

en hun nabestaanden, wier droefenis schier

niets te begraven had, het glimmend, knisperend

perkament namen, dat ze vouwden in de vorm

van aalscholvers die ze op de wind naar het noorden

uit lieten vliegen met de stad als koers

en die, eenmaal boven de daken, hun vlerken

uitsloegen en met een duikvlucht een venster

doorschoten om plaats te nemen bij de bakker

op de toonbank, glanzende roerloze verleiders

wier zoete geur en prikkelende kleuren

voor jullie huwbare maagden onweerstaanbaar

bleken, ze aten hen in eenzame vreugd

en ontwaakten de volgende ochtend zwanger

van blakende zwarte zevenmaands kinderen

die ze pijnloos baarden en na de geboorte

direct te vondeling legden bij de kerk

waar zíj bij dageraad hun ondergronds netwerk

uitkropen om zich over het kroost te ontfermen

het duurde niet lang of jullie hadden door

dat sommigen zich in boomstammen verborgen

van tropische houtsoorten, in de stad populair

waarin jullie de holtes konden lokaliseren

door de bast te bekloppen met de kolf van een geweer

maar niemand van jullie was erop voorbereid

dat enkelen van hen al begonnen waren

zich verder in de bomen te integreren

ze lieten zich — jong nog — aan de stam vastsnoeren

en wachtten tot het hout om hen heen ging groeien

en na afnemende bijvoeding in de eerste twee jaar

schoten de takken hen dan door de aderen

mengde sap zich met bloed, werden vezels nerven

en raakten ze geheel door de boombast omkluisterd

zodat geen holte zich meer liet horen

in het massieve hout, en het eindelijk tijd werd

dat de bomen werden omgedaan door hun houthakkers

die wisten hoever boven de wortels

hun voetzolen zaten, zodat ze zonder

letsel werden geladen op jullie karren

naar de stad gebracht door jullie tractors

met het lied van de berijders, ‘waar is onze broer

zijn darm is gebruikt in plaats van de drijfriem

terwijl zijn pisbuis de cilinders voert

elke klap die hij kreeg, en elke striem

kreunen het uit, schuin door de motor

want zijn strot is mijn kruk, dorstig en schor’

en zo zonder problemen aankwamen bij de zagerij

maar wie ze van hen uit het hout konden peuren

leefden, afgesneden van de saptoevoer

niet meer dan een paar amechtige uren

de anderen, hun vlees ingeklonken, uitgeteerd

verkleurd tot verschillende schakeringen bruin

verrijkten met hun gemengde lichaamstextuur

en de rossige resten van hun geronnen zuur

de lange planken waarin ze dan maar

de stam verdeelden, die jullie huiskamers

nu als salontafels op mogen sieren

waar ze jullie van onder de lak begluren

en daarna kwamen jullie met goede raad

dat alleen de mensen die nog niet modern

in het leven stonden zich lieten regeren

door hun stoelgang maar dat daarbuiten ieder

zijn anus liet sluiten door een erkend chirurg

— ten slotte, hoe minder darmen hoe slanker —

die aansluitend hun buik zou voorzien van een kraan

waarvan jullie natuurlijk de sleutel beheerden

en die ze elke middag op een vast uur

konden laten aftappen tegen een kleine prijs

zodat jullie voor hen hun mest konden sparen

die ze, als er gezaaid moest worden

van jullie konden kopen in handige korrels

maar zíj lieten zich alleen opereren

omdat ze dachten dat de kraan een voorwaarde

was om door jullie te worden geaccepteerd

als ze, voorzien van een vals paspoort

propere kleren en een wassen gelaatskleur

de stad waren binnengeraakt, maar wanneer

ze daar op zoek gingen naar een bureau

waar ze zich konden ontlasten, een arts

die hen kon helpen, liepen ze gevaar

vastgenomen te worden, de stad uitgetrapt

waar ze dan zonder hulp moesten verkommeren

want de kraan was voor jullie een herkenningsmerk

waarmee jullie hen makkelijk konden selecteren

en andere indringers konden hun geperverteerde

anatomie ontsluiten noch herstellen, ze stierven

vergiftigd, stinkend uit alle poriën

 

 

Intussen begon het werk aan de tweede muur

opgetrokken uit ijzer waarvoor zíj de erts

leveren mochten, uit een rijke ader

bij hen in de bergen, waarin hun mijnwerkers

dagelijks verdwenen met een lange trein

waarbij ze aanhieven, ‘waar is onze zuster

op jullie bumper trillen haar borsten

het licht van haar ogen leidt ons geruster

haar dijbenen, de assen die ons torsen

laten, nog onder haar verkrachter

door heel de tunnel hun echo achter’

en dat, eenmaal gedolven, naar de stad werd gereden

waar het in daarvoor gebouwde smederijen

tot caissons werd gegoten, zo hoog en zo zwaar

dat zíj, bij het zien van de takel die ze meter

voor meter het landschap oversleurde

dachten dat jullie hardvochtigheid gestraft

ging worden door een stakerig monster

en ze kwamen van over heel de einder

om het oordeel voltrokken te zien worden

maar het enige waar ze getuigen van waren

was het laten zinken van de tapse muurparten

in een diep profiel gestort in de modder

terwijl de soldaten schoten op ieder

die de nieuwe grens durfde te naderen

tot ook het laatste deel was verankerd

en slechts het gat voor een rubberen deur

op te hangen aan dubbele riemen van koeleer

op weg naar het zuiden was uitgespaard

waarna boven de muur de verrijdbare

oven verscheen, die de omstanders nog meer

met ontzetting vervulde door de zwarte rook

die hij uit zijn breedlachend mondstuk braakte

en de dikke gulpen waarmee hij koper

over de bovenrand spoog tot een pantser

waarop geen haak enige greep kreeg

maar zíj begonnen hun plannen alweer

te smeden met stelten, stellages en ladders

toen er eensklaps een gezoem tot hen doordrong

en een geknetter dat hen naar de muur dreef

om het gezang daarin te beluisteren

en ze, zodra ze zijn oppervlak beroerden

tot een vlam en een rookwolk werden gereduceerd

slechts een bruinige afdruk van een hand en een oor

gaf de plek aan waar ze verdwenen waren

en vanaf die dag konden jullie vrediger

gaan slapen als jullie ’s avonds uit het raam

de pulserende band aan de horizon ontwaarden

roodgloeiend, zoetglooiend, glad en roestvrij

en trok elke avond de ratel naar de muur

met een groepje besmuikt grijnzende burgers

achter de die dag gearresteerde indringers

in ketenen geslagen, door soldaten meegevoerd

naar buiten de stad, door de grote poort

die achter hen dichtviel, knerpend in zijn scharnieren

dan werd de sluitbalk bevestigd door de wachters

en liepen jullie weg, hoorden met een half oor

hoe ze jankend de lange terugweg aanvaardden

maar al snel merkten jullie dat ze gebruik

maakten van vogels om de stadsmuur over

te komen, zich op lieten trekken door

de onwillige wiekkracht van ooievaars of reigers

samengebonden tot een span, of anders

door honderden mussen, gestrikt op een raster

dat, gemarkeerd door hun wild gekwetter

een makkelijk doelwit vormde voor de wachters

als het boven de stad kwam zwabberen

waarop jullie begonnen met het couperen

van alle vogels die met net of strik

werden gevangen door speciale jagers

uitbetaald voor elk ingeleverd vleugelpaar

– muizen werden over straat door buizerds

achterna gezeten en de grote adelaar

wachtte om de hoek op de tred van een merel –

maar zíj hadden een andere methode ontworpen

om de stad in te komen, ze namen kinderen

van wie de botten nog flexibel waren

en bonden ze op jullie schapen met een harnas

van riemen dat hun veilige vlucht garandeerde

en legden hen wanneer de stad sliep in de krib

van een blijde, tevoren gericht op het centrum

en haalden de bevrijdende hefboom over

waarop ze in een boog langs de sterren scheerden

en terechtkwamen, afhankelijk van hun zwaarte

op straten, op daken, op hekken, op schuren

waar het schaap met een laatste flegmatische kreet

de val soms kon breken onder zijn ruiter

die zich aan de wol reinigde van bloed en darmen

zijn botbreuken spalkte met intacte beenderen

een paar mooie bouten ontrukte aan de vleesberg

als geschenk voor hen die hem bescherming leverden

en op zoek ging naar de toegang van de onderwereld

wanneer een van hen voelt dat hij gaat sterven

en de hoop om de stad te bereiken steeds vager

en verder raakt, laat hij zijn ziel distilleren

samen met de schillen en gistende resten

van moerbeibessen legt hij zich neer

in een koperen ketel, waar stoom door een rooster

oprijst, de werkzame stoffen absorbeert

waarmee hij zich door een buis bovenin perst

en als het water van zijn leven neerdrupt in een reservoir

want wanneer in zijn open ogen de iris

in het wit is verzonken weten ze zeker

dat hij dood is en zijn ziel gebotteld kan worden

in een aardewerken kruik en naar de stad getrapt

door een bakfietser die neuriet, ‘waar zijn onze kinderen

hun voetjes helpen de wielen te keren

hun adem zorgt dat geen wind mij kan hinderen

hun handjes dragen mijn waren als veren

maar waar ik ook ga, altijd een die schreit

want hun hoofdjes zijn de keien waarover ik rijd’

en via de slijter vindt dit elixer

zijn klanten die levenslang worden gefolterd

door beelden en herinneringen waarvan jullie de oorsprong

niet raden kunnen en die op deze manier

zich ook een plek in de stad kunnen veroveren

en elke avond trekt de ratel naar de muur

in een optocht van joelen, brullen en kraaien

achter de die dag gearresteerde misdadigers

krom van de pijn over de stenen meegesleurd

naar buiten de stad, door de grote poort

die achter hen dichtvalt, knerpend in zijn scharnieren

dan wordt de sluitbalk bevestigd door de wachters

en keren jullie je om zonder nog te luisteren

naar het geluid van hun vuisten, bonkend op rubber

vroeg in de nacht schrikt iedereen wakker

van een schok die hele stad doorvaart,

fel maar gelijkmatig, heftig maar kort

zodat jullie je daarna om kunnen draaien

en door kunnen slapen of er niets is gebeurd

de huizen staan nog, de wolkenkrabbers

vertonen zelfs in de kelders geen scheuren

niets is uit het lood, nog geen schilderij

maar wanneer de volgende ochtend de landmeters

bepalen of iets in de grond is veranderd

constateren ze dat de stad in heel haar omtrek

omhoog is gekomen met een halve meter

want ‘s nachts, door hun smalle gangen verspreid

was ieder van hen in positie gehurkt

tot ze elke paal en elke pijler

in armen hadden, en elke vloer

waterpas rustte op hun harde rug

en toen, op het gelijktijdig sein van hun leiders

rechtten ze allen met een klap de schouders

en hieven de stad naar haar volgende tree

zo steunen jullie steeds meer op hun wereld

met stutten en staken en dragende ijzers

waartussen ze hun netwerk steeds verder uitbreiden

met bredere gangen en hogere kamers

uitgebikt om plaats te bieden aan ieders

steeds groeiende familie en aan wie er verder

van buiten de stadsmuur nog binnendringt

vroeg in de middag aanvaarden ze de reis

met de zon in hun rug, ze houden nauwkeurig

het pad van hun schaduw bij, geven hem vaart

en buigen hun richting om hem bij te sturen

tot hij tegen de avond verdwijnt onder het donker

ze gaan zitten in het zand, volgen in hun droom

zijn weg door de nacht, hoe hij de stad nadert

hoe hij kort voor zonsopgang onder de poort doorstrijkt

en pas als hij veilig is in een smalle straat

zichzelf hervindt tussen zijn contouren

en onder het lichaam dat bij hem hoort

zo gaan die twee samen in het zonlicht voort

 

 

 

 

 

[1] ‘Ratel’ is geschreven op uitnodiging van de organisatie van Antwerpen Wereldboekenstad 2004. Samen met een kunstenaar had ik de letter R toegewezen gekregen in het project ‘Stad van Letters’ (vandaar dat er op het einde van elke regel wel ergens een r zit, de titel met een R begint, en het gedicht met ‘Er’). 'Ratel' was dan ook op specifiek Antwerpse problematiek geschreven, een problematiek die zich helaas steeds verder heeft uitgebreid. Ik ben er in het najaar van 2003 aan begonnen in Los Angeles, met het fragment over de embryo’s, en heb het die winter afgemaakt in Crupies. Terug in Antwerpen bleek dat mijn beoogde partner misselijk werd van mijn gedichten. Omdat de samenwerking was mislukt kon het gedicht niet worden gebruikt. Het is voor het eerst gepubliceerd in ‘Ratel & Experimenten’.