in het eerste jaar van zijn lot
gierde zijn jakhalzenlach nog
over ons heen als woestijnzand
onder hem neergehurkt zongen
wij de liederen die hij ons
zelf geleerd had en bedachten
wij zouden moeten aanvangen
wanneer hij zich mocht bedenken
en ons onze nutteloze
levens weer terug mocht schenken
eerst wilden wij hem kalmeren
maar toen het verkalken van zijn
amandelen en het stremmen
van het slijm in zijn holtes zijn
dromedarisbalk nog niet kon
stillen zongen wij alleen nog
maar om hem te overstemmen
tot een van ons een kromme tang
de ladder opnam, over hem
heen boog en met één felle ruk
zijn strottenhoofd van zijn luchtpijp
sloopte als een verrotte kies
en zo was het ook, de vouwen
rondom zijn mond trokken zich glad
alsof dit de verlossing was
waarom hij zo lang gesmeekt had
in het tweede jaar van zijn lot
onttrok het vocht zich aan zijn huid
die inboette aan kleur en glans
en het aanzien kreeg van tegen
de nerf afgeslepen leisteen
wij waren bang dat de dood hem
van buitenaf in bezit nam
eerst verloor hij zijn hoofdhaar
daarna de baard van zijn orde
maar zijn schaamhaar kwam pas los toen
alle lust hem was ontvallen
als een vormeloos stuk zeemleer
kleefde het op de plavuizen
een angstig dier zonder schuilplaats
op zekere ochtend, toen wij
binnenkwamen, zagen wij dat
het gesneeuwd had, heel de vloer
was bedekt met een fijn poeder
in een nacht had hij zijn oude
huid afgelegd voor een nieuwe
nu wisten wij dat hij alle
waardigheid en bescherming had
opgegeven en zich geheel
aan onze zorg had toevertrouwd
wij maakten onze vinger nat
en proefden er voorzichtig van
de smaak was gerijpt en zout maar
wie ervan gegeten had kon
gedurende twee dagen geen
ander voedsel meer verdragen
boven ons hing hij te blinken
als een jonge wolk voor de zon
zijn navel en anus waren
overgroeid met zijn nieuwe vel
wit en strak zonder plooi of smet
in het derde jaar van zijn lot
hoorden wij voor het eerst zijn zang
een onvaste hoge toon had
zich al onmisbaar onderdeel
van ons bestaan gemaakt voordat
wij hem konden onderscheiden
pas toen de pelgrims wier gehoor
hij niet sluipend had veroverd
ons ernaar vroegen werden wij
ons bewust van dit nieuw geluid
een enkele ijle noot die
om zichzelf heel leek te draaien
zich binnenstebuiten keerde
zijn eigen klagen opslokte
verteerde en weer naar buiten
wrong zonder te veranderen
wij dachten dat er misschien iets
mis was met een van zijn slangen
of dat hij scheef was komen te
hangen en zijn botten nu langs
elkaar slepen, wij klommen naar
boven en controleerden zijn
leidingen en verbindingen
alles stond nog soepel en strak
ook gaf hij met het verversen
van zijn lijfwater geen bloed op
via de stethoscoop hoorden wij
dat het zingen van diep uit zijn
buik kwam maar wij konden ons daar
geen enkel orgaan voorstellen
dat het zou kunnen voortbrengen
in het vierde jaar van zijn lot
had zijn lichaam zich eindelijk
aangepast aan zijn beslissing
niet langer schrokken wij midden
in de nacht wakker wanneer de
spiertrekkingen hem weer van zijn
muurijzers trachten te rukken
niet langer waren wij uren
druk met het zetten en spalken
van zijn botten, het wegwerken
van zijn bloeduitstortingen met
natte doeken en pleisterkalk
zijn geraamte won aan veerkracht
met het indrinken van oud zweet
dat zich had opgeslagen in
de onderhuidse vetlagen
terwijl de huid zelf sponzig en
transparant werd van de smeer waar
wij hem elke dag mee zalfden
zijn bleke schalen van ogen
zonken in de walvislobben
die zijn hoofd overwoekerden
en zijn romp zwol eivormig op
zodat wij zijn heupschild elke
week opnieuw moesten verwijden
soms als wij hem 's ochtends wasten
dachten wij vingers te zien die
van de binnenkant iets op zijn
buikwand aan het schrijven waren
en een van ons heeft al de schim
van een gezicht gezien die door
zijn glazen vel naar buiten keek
onbewogen, vastberaden
Metagnoom
voor de zalige geen verzoening
een spin, omgekeerd tegen de muur
wit op inkt, weke buik naar buiten
over ons heen gekromd, een duiker,
de vijf leden schrap uitgespreid
de krammen om de stenen gekneld
loert hij met wit-gulzige ogen
de vloer af naar de zin van zijn val
die nooit eindigt en die nooit begint
gouden naalden helen zijn gewicht
een nagel klinkt elk van zijn wervels
en elk van zijn dragende botten
vast in de gewelfkluis van zijn nis
zijn schedel verzegelt de sleutel
hij draagt het leed van heel de wereld
in een leren zakje om zijn nek
is het zijn last of zijn amulet?
de zalige laat het niet merken
ruggelings op de nachtlucht geklikt
een kever van gewassen zilver
eeuwig, machteloos, gekruld om het
tandrad van zijn monotone zang
onschatbaar, kleurloos, onafwendbaar
draait hij zich omhoog langs het firmament
dat, soepel om zijn as, bij elke
slag weer terug in balans kantelt
niets dat de zalige nog verrast
het raspen van zijn dorre schilden
het koeren, slurpen van zijn wrange
verschrompelende hersenboleet
het fluiten van het plankton dat de
rot uit zijn ingewanden zuivert
het ruisen van het vlies tussen de
vochten die smachtend langs elkaar heen
vingeren in gescheiden kamers
de zalige verteert zijn geluid
bij het eerste grijnzen van de dag
bestijgen wij met ons gerei de
ladder naar het nest van slijmdraden
waar hij zonder een spoor van spijt de
tijd tandeloos hangt te verbijten
we slijpen het gele sediment
weg rondom zijn marmeren ogen
uit zijn mondgrot verwijderen wij
met een stok de laag schimmels en spog
zijn ingeklonken lijf met de korst
van gebarsten melkglas wassen wij
met jonge spons, gedrenkt in een zeep
van gemzentalg, daarna wrijven wij
hem droog met ruwe linnen doeken
eer dat zijn poriën zich sluiten
dekt ezelinnenzog, ingekookt
met kokosolie hun teerheid toe
de zalige heeft niets te klagen
zijn rechterzij is geperforeerd
met een invasief stomaventiel
waardoorheen algenrijk zeewater
zijn buikholte wordt ingeheveld
het pekelt zijn nieren en lever
pepert zijn klieren, spoelt gal en slib
uit de kloven in zijn maagwand en
diep tussen zijn darmvlokken vandaan
tot zijn bekkenbalg op springen staat
zo antwoordt hij om twaalf uur 's middags
stipt op alle tot hem gerichte
gebeden met een zilt plengoffer
een rochelende stuip rolt van zijn
stuit naar zijn huig een lage roffel
zijn gezichtshuid krult naar voren en
in één gladde rijpe druppel gulpt
het water in een boog naar de vloer
de zalige splijt zijn zegen uit
vanuit de apsis beneden hem
schieten wij met onze dweil tussen
de bedevaartgangersbenen door
en sprenkelen het goudgele vocht
gelijkmatig over de tegels
niets breekt de sleet van hardnekkig vuil
af als het sop van zijn noenbraaksel
niets bijt tot zo diep in de voegen
een plens water erover en schoon
onze berekening leert dat de
pijnpunten van het universum
samenvallen met zijn tepels en
dat de as van het melkwegstelsel
op dezelfde schijf draait als zijn maag
de zilveren kraag rond zijn heupen
gaart al het licht onder de koepel
bijeen en balt het in de ovaal
die om zijn lidloze liezen gaapt
en, springader van vier vleugels uit
doorzichtig rood, gespannen van dal
tot dak, trilt de vlinder zich door zijn
efemere reïncarnaties
in de parachutekoordensierstrik
van vier bussels infuusslangen
geregen aan weerskanten van zijn
wervelstok, veter van een korset
waaraan geen van zijn levens ontsnapt
langs de wand van de koepelkamer
boven hem liggen, in de gram van
hun juten schulpen, vierentwintig
sycofanten, in een cirkel neer
de slangen, waardoor hun helderrood
bloed, louter gevoed met de pulp van
wittebrood, bananen en beenmerg
wordt afgetapt, banen naar achter
zijn longen en voeren het naar zijn
linkerhartboezem, opdat het zijn
vlees kan laven met de kracht van hun
geloof, zich kan heiligen aan zijn
zure stofwisseling om donker
door zijn longslagader, de slangen
achter zijn heupen naar de crypte
weg te lopen, waar vierentwintig
lijders van allerlei slag en graad
er hun genezing aan verwachten
de gestolde protuberans van
een onbevattelijk nachtlichaam
cycloop in de gulp van het gebouw
omfloerst, geloken, een pop in haar
cocon heeft hij zijn worm geofferd
tot trog van zijn getordeerde vrucht
in de windsels van een tot in het
oneindige vertraagde cycloon
pulseert een nors hart dat hij niet kent
