vandaag heb ik een mens gemaakt
van slijm en gist
alles begint met experiment
als niets zich roert in de kom oerdrap
een scheut rum waar haar ziel moet komen
mijn warme adem strijkt over haar
barre oppervlak en zet een kop
van bruin sissend schuim op de boorden
en de weeë geur van een beeldloos
dromen welt op uit onderstromen
achterdochtig en traag
de eerste trilling van haar ooglid
onttrekt zich aan de woekeringen
van haar vlees, haar neus bepaalt zijn hoek
het dankbaar tuiten van haar lippen
boert de luchtbel die haar draagt kapot
ik neem de kom in beide handen
ik slok de walging weg
II
vandaag heb ik een mens gemaakt
van zog en leem
het innerlijk is mijn eerste zorg
ik breek het hart van de kleimassa
open en stort het vol vruchtbaarheid
loten schieten uit tot tentakels
verknoopt in complexen die, op de
knoest geknot, splijten en krioelen
maar eer ik een omhulsel kneden
kan begint het te regenen en
ik zoek een heenkomen
als ik hem na de middag weervind
een lidloze klomp zinderend vlees
wittig uitgeslagen, het vettig
zweet waarmee hij droogt vertakt zich door
het openknappend craqueléweb
van karaktertrekken
III
vandaag heb ik een mens gemaakt
van leer en roest
een hol teervat met schorre weerklank
omkleed ik strak met een berenvel
de klauwen en poten snij ik weg
die heeft zij niet nodig, de kop die
zielloos gaapt heeft zij ook niet nodig
ik sla haar wat oude spijkers in
op de plaatsen waar zij lijden moet
een paar koehoorns, sierlijk van kromming
splits ik haar in de lies
door het laatste roestgat laat ik twee
nachtegalen naar binnen floepen
met zangzaad genoeg voor vijf dagen
dan hecht ik af, ga zitten en wacht
dunne hoest kondigt het leven aan
daar reutelt haar stompe einde zacht
zij richt zich op, zij spreekt!
IV
vandaag heb ik een mens gemaakt
van balsa en huid
tot mastlengte rek ik hem zijn in
haaienzeik gelooide zeilen op
en pin ze met baleinen aan dek
het roer tussen zijn billen geklemd
zend ik hem de wereldzeeën op
de wind blaast hem rijpe borsten om
zijn tepels, een buikje in de fok
hoog in top staat de gele wimpel
van zijn gewetensnood
het rommelt diep in de broekstukken
waar het verlangen zich voorbereidt
zelfs de zon bukt zich voor zijn salvo's!
de mieren, opgetogen eerbied
priegelen met hun bloed de neerslag
van zijn wederwaardigheden op
zijn perkamenten vel

V
vandaag heb ik een mens gemaakt
van wolfram en git
in een extern skelet, koperen
buizenrek, vibreert het eksternest
van gesponnen metaal, drie zwarte
lonkstenen, verticaal omwonden
mieter, lurven en tabernakel
dan jaag ik haar de bliksem door haar
lazer, het koper schettert ineen
maar zij blijft, een zuil van lillend licht
in de spanning hangen
steeds nieuwe schimmen schijnen door haar
plasma, herinneringen aan wie
zij ooit geweest wou zijn, de barsten
tikken zich al door de steenschil heen
een scherf spat weg, een kleverig paars
vocht borrelt tevoorschijn en lekt in
dikke klodders omlaag
VI
vandaag heb ik een mens gemaakt
van pvc en touw
elke buis van gelijke lengte
gelijke spanning op elke knoop
zo streng heb ik haar poten geijkt
en heb ik hun loop toegevouwen
zo heb ik haar gramschap afgesteld
zij bijt zich naar binnen bij haar aars
en krauwt een geboortejammer door
haar koud gebeente, dan springt haar graat
kaarsrecht de scherpte in
bloed spat haar door de scheuten en gutst
het vuur uit haar pennen op de lucht
de welving van haar schorre ribben
klapt ze om haar schouders, rosse kam
van vleugelschelpen, houders van licht
en zinnen, rukken aan de scheerlijn
en slaan achterover
VII
vandaag heb ik een mens gemaakt
van kalk en gft
na veertien dagen in de woestijn
verscheen mij een manshoog maar leeg ei
ik droeg het naar mijn werkplaats om het
op zijn roeping voor te bereiden
op zijn evenaar boor ik hem een
navel, waardoor ik zijn binnenste
volstort met een lading rottend fruit
ik verzegel hem met de sluitspier
van een balletdanser
vanaf zijn driepoot profeteert hij
zijn tweelingsibillen, in gazen
gewaden aan zijn beide zijden
zetten, om de beurt een lettergreep
de
melisma's van zijn ontsnappend
gas, dat fluit en jankend moduleert
in klare spreuken om
VIII
vandaag heb ik een mens gemaakt
van silicone en glas
zand tot zand en code tot code
in de opengesperde bek van
een bol, die bungelt aan de blaaspijp
leg ik een chip met zijn naam erop
zijn kakement klapt zich toe om de
ouwel en uit zijn schedelbasis
druipt zijn gewervelde lul omlaag
zijn feniks, de dubbele helix,
de as van zijn bestaan
aan de groeipunten ontspruiten langs
alle kanten zijn ledematen
zodat hij nu steun vindt op de grond
is het tijd om af te koppelen?
nee, hij verloochent zijn afkomst niet!
zijn navelstreng is nu zijn blaasroer
om zijn gif te spuien
IX
vandaag heb ik een mens gemaakt
van vlees en chroom
ruggelings over de assen van
een bugatti-chassis span ik het
roze lijf van een pasgeslacht lam
acht cilinders pompen hem de smart
door zijn longen, in zijn flank steek ik
negenendertig knoflooktenen
opdat hij zijn passie niet vergeet
en daarna leg ik hem te rotten
in een kuil in het zand
op de ochtend van de derde dag
scheurt de aarde zijn graf weer open
hij wankelt in het licht, dan spuit de
braadlucht achter zijn ribben weg en
draagt hij de zon op zijn juichende
spatborden ten hemel, het regent
olie en maagdenbloed
X
vandaag heb ik een mens gemaakt
van celluloid en blik
haar tors roteert verticaal om haar
kogellagergevoerde flamoes
waarin zij een fietsvork houdt geklemd
haar hortende camerakopje
trekt de meters met voorgeprinte
reclameclipjes van over haar
schouder naar voren en zo drijft zij
de filmspoel tussen haar dijen aan
de vrije landen door
wat maakt zij zo niet allemaal mee!
langs haar katrollen slingert zich de
som van haar ervaringen kriskras
over de liertrommel van haar borst
en vormt daar allengs een tweede huid
dan schiet de band los, zij wankelt en
valt voldaan terzijde
XI
vandaag heb ik een mens gemaakt
van kristal en bloed
een monoliet met lichtende kern
als ik zijn gloed heb uitgeslepen
laat ik een hemofiel varken in
zijn ijsgladde holtes leeglopen
rood schijnsel, het deinen van zijn hart
gefilterd door de archetypes
die ik in zijn huid heb gegraveerd
strijkt zijn weelderige groet over
de pelgrimstronies heen
dag en nacht waak ik over zijn rust
zijn schacht is gepokt met sensoren
die elke schok registreren en
doorgeven aan zijn innerlijk oog
zodat hij steeds wat te lezen heeft
wat is hij decoratief en hard
wat is zijn leven blank!
XII
vandaag heb ik een mens gemaakt
van zweet en porselein
op haar witte ontvankelijkheid
troont een sfinxenbek van een stortbak
het wedgwood van haar gevoelsleven
geeft zij vrijelijk te leen aan de
mergzoet slurpende tempeliers die
in haar kelder concilie houden
koperberingde nubiërs, met
serviesgoed overladen, klimmen
de trappen op en af
schaamte kent zij niet, noch verleden
wie kan bogen op zo'n fris gemoed!
zij zet het in rekken in haar op
leeuwenpoten geschraagde wasteil
vanaf de vier hoeken spuiten haar
dolfijnen haar maagdelijkheid van
zwadder en zoedel rein
XIII
vandaag heb ik een mens gemaakt
van buskruit en hout
de vlakke grond is hem niet genoeg
volksdansend op zijn vijf schonkige
schepbeentjes, die om de beurt het zand
tussen de tegenoverstaande
twee schoppen, gaat hij op onderzoek
naar de kern van zijn wankel bestaan
rechtstandig zinkt hij de aarde in
deze zelfbegravende unit!
de kuil loopt op hem dicht
het gewicht dat op zijn schouders drukt
triggert zijn ontsteking en zijn ziel
sproeit haar onnavolgbare wegen
in
vuursluiers over de hemel
een moment staat zijn astraallichaam
tussen de sterren, zijn mond hapt naar
de maan, mist en zakt weg