home

tekst

geluid

links

spul

De nieuwe mens

 

Allicht hadden de voortekens ons tijdig kunnen waarschuwen

– vissen vluchtten weg uit hun vertrouwde woonplaats in de troggen,

vleermuizen vlogen in paniek te pletter tegen de ruiten,

honden liepen recht op hun achterpoten en spraken in tongen –

als we voor het dierenrijk tenminste nog oog hadden gehad.

Wat moesten wij dus denken toen onze vrienden, onze ouders

na een zevendaagse koorts van hun ziekbed sprongen

met rollende ogen, met wild om zich heen zwaaiende leden

en de straat op renden zonder op hun omgeving acht te slaan.

Niets duidde erop dat zij nog wisten wie zij geweest waren

of dat ze de beheersing hadden over hun situatie.

We richtten vanzelfsprekend quarantainezalen voor hen in

waar wij probeerden hen tot hun oude staat terug te brengen.

We wisten niet hoe. Goede voeding bestendigde de ziekte

terwijl antibiotica de zieke alleen verzwakten

totdat die stierf. Toen er na maanden nog niemand genezen was

en er in ziekenhuizen geen plaats was voor nieuwe gevallen

schreeuwde men om maatregelen die de uitwas zouden stuiten.

De behandeling werd stopgezet en de besmettingshaarden

– van mensen wilde men niet meer spreken – werden voortaan verbrand,

aanvankelijk in daarvoor ontworpen geurloze ovens,

later op ziedende brandstapels in het midden van de stad.

 


                            

 

 

Terwijl de menigten razend voor ons raam langs trokken

op jacht naar de vreemde kiem die ons van overal bedreigde

werkten wij in onze laboratoria aan de tafels

waarop de paar ons gegunde slachtoffers lagen vastgesnoerd,

Na weken onderzoek met onze dierbaarste apparaten

achterhaalden wij pas de werkwijze van de veroorzaker,

een spirochetenstam die wegens een minieme mutatie

voor zijn overleven afhankelijk was van informatie.

Eenmaal in het lichaam geraakt volgde hij de zenuwbanen

om zich vervolgens tussen het hersenweefsel te nestelen.

Daar strikte hij zich in clusters die de werking van neuronen

in hun eiwit kopieerden, hun positie annexeerden,

om hen daarna door het eigen lichaam af te laten breken.

Zo verving de bacterie ons brein in een week met bedrading

die ons lichaam nog onoverzienbare mogelijkheden bood:

de ogen konden van nu af los van elkaar opereren,

een hand hoefde niet meer te weten wat de andere deed.

De ziekte plaatste de persoonlijkheid op andere basis,

maar hoeveel angst sommige symptomen ons ook inboezemden,

we moesten erkennen dat niets wat hen anders maakte dan ons

hun voortbestaan als organisme in enige zin bedreigde,

en dat zij het leven beter leken aan te kunnen dan wij.


 

 

 

Intussen was er vermoeidheid geslopen in de straatwoede

die het niet meer op kon brengen de vuren brandend te houden.

Zieken die men over het hoofd had gezien of ontsnapt waren

bleken toen hun lichaam aan zijn nieuwe gesteldheid was gewend

volledig anders maar toch coherent te kunnen bewegen

en konden ons hun vreedzame bedoelingen kenbaar maken.

Onder ons, de oorspronkelijke mensen, gingen stemmen op

om de aarde onder te verdelen in zones, van elkaar

gescheiden door gedesinfecteerde, mensvrije corridors

of om de opties voor samenleven te overwegen.

Er waren er zelfs die de ziekte als noodzakelijk zagen

in de strijd van de mensheid om haar overwicht te behouden

over dieren, natuurrampen en haar eigen voortbrengselen,

die ieder op zich een veel grotere bedreiging voor ons vormden

dan die ene bacterie die onze aangeboren gaven

niet aanviel of schaadde, maar juist dagelijks wist te verrijken.

Op de dag dat de onderhandelingen werden geopend

zaten de vertegenwoordigers van de twee mensensoorten,

van elkaar geïsoleerd door een hermetische glazen wand,

een eerste keer tegenover elkaar aan dezelfde tafel.

Later zou men deze dag, zo dachten we toen nog, beschouwen

als het punt waarop de mensheid haar toekomst in de ogen zag.