Apex[1]
dit is geen stad maar de vonk van een stad
het punt komt dat je onschuld er genoeg van heeft
je stappen zijn de maat van het oerwoud ontgroeid
splijt de vrucht die je onthouden is
met een houw het klokhuis
een vlam lekt uit, de tijd tikt aan en
met handen als fakkels, een engel op vlerken van vuur
trek je spiralen van lichterlaaie
je adelaarssnater slaat de schaal van de dag
aan scherven van dagen
dit is geen stad maar de adem van een stad
een hand van vuur veegt de wereld voor je open
een vel van witte as waarop je schrijven kunt
broekenman, godenzoon, duikelaar
ten afscheid geven de
dieren je namen voor onderweg
laat hen de dingen maar nemen zoals ze ze vinden
jij vormt de dingen naar je eigen beeld
loop tot de nacht, strek je uit in het open veld
met de droom van een stad
dit is geen stad maar de gil van een stad
je huig heeft, op wat je prevelt tijdens je slaap
zijn morsetekens in slierten nevel geponst
gonzende linten zingen tegen
de helling omhoog en
rollen zich langs de kam tot korven
betonnen muren, de deuren en ramen gerangschikt
naar de puls van je stem, stollen in het
vroege zonlicht, krijtwit als een strijdkreet, tot de
omwalling van een stad
dit is geen stad maar het ei van een stad
een kreet breekt vrij door de groenkoperen vliezen
waar je afdaalt ontsluit de poort haar liezen en
een gulle stroom van levend water
die de muren lest biedt
je zijn schouder als zegewagen
op de paleistrappen zingen kanonnen je namen
voor je nieuwe leven toe, leeuwenwelp
brekebeentje, roos van saron, wonderbare
raadsman, stedendwinger
dit is geen stad maar de zucht van een stad
je tong slangt een corso door de propyleeën
haar boulevards spreiden hun marmeren benen
zie, een koor van majorettes en
communards paradeert
tussen huizen als orchideeën
tot bloei geprikkeld op de tast van je papillen, de
smaak van neon, gekonfijte vruchten
licht op in haar buikholte, een crypte die bidt
voor de vlam van een stad
dit is geen stad maar de code van een stad
over het toetsenbord van de buitenwijken
tikken je vier apentengels de toekomst in
wissels slaan om, aan de beharing
van je staart heeft zich de
ronding van haar oude bestanden
gekarteld, slijpsteen wordt tandrad, over de randen van
haar harde schijf schokschoudert een trein zich
in beweging en kantelt de flowchart binnen
van de stad haar bloedbaan
dit is geen stad maar de stoom van een stad
op de fundering van je bekken slingert zich
je verchroomde wervelkolom het want in van
de avondlucht, je ribben werpen
hun ankerkettingen
uit, en knellen een wolk tegen haar
aan, zodat koelwater gutst door haar maag, een bouwput, waar
op de aambeelden van je achterdocht
je gemuilkorfde slaven de mallen smeden
voor het licht van een stad
dit is geen stad maar het brons van een stad
het schimmenspel van haar gesteven passanten
vibreert op de rug van je hand, en je linnen
vingers slaan de schellen van naar hun
toon gekleurde auto's
aan over het bourdonzingen van
haar metrobuizen, een trolleybus tinkelt onder je
verhemelte langs je hersenleiding
omhoog en triggert met zijn vonk je gewrichten
tot de dans van een stad
dit is geen stad maar de stront van een stad
barakken kantelen tot wolkenkrabbers waar
je gebochelde drakenkam de aarde klieft
en een tong van rood staal lepelt de
gesmolten grond over
je kinnebak, voort rochelt ze van
ketel naar ketel door je ingewand en spettert als
asfalt uit je vuurvast geschubde aars
tevoorschijn, je hammen walsen het wegdek tot
de spiegel van een stad
dit is geen stad maar de woede van een stad
je oogbal, kwispelstaartje hitsig in de rug
stuitert hoog door de flipperkastlagers van de
warenhuizen, het spervuur van zijn
blikken maait de op je
bloed beluste verkoopsirenes
neer en hij hikt de prijzen weg in zijn rinkelende vaart
extra levens bij de servicecorner
dood het hondje cerberus en ga door naar de
stad haar bonuslevel
dit is geen stad maar het zweet van een stad
misschien begrijpt de zon van spiegelglas je wel
je longen, betonnen pylonen, zes vadem
diep in de hartslag van haar riool
richten je strottenhoofd
tot periscoop, er staat een lichtmast
op je adem, het ritme van je lach stuwt lymfe uit
de afvoerputten omhoog, gebronsde
ruiten slaan vierkant uit hun sponning een stad in
scherven op het trottoir
dit is geen stad maar de roes van een stad
een hijskraan steekt door je oksel de skyline in
je hand grijpt naar houvast, maar hij tilt je, een van
zijn sokkel getrokken kolos, over
je manke stappen heen
de huizenblokken schuiven een wig
door de achterbuurten, een heerbaan voor je wankeling
rechtop staat je geslacht in de steigers
rondom je middel, je hoofd brandt als een kogel
in het oog van een stad
dit is geen stad maar de doem van een stad
vanaf de wolken steekt je debiele broertje
zijn zeven ezelgemuilde bazuinen af
en twee sterren jubelen uit je
droomgat, de ene heet
alsem en schiet zijn zaad als zwavel
door het water, de andere is zijn naam vergeten
hij boort zich de onderwereld binnen
bij haar navel en schatert een steekvlam door de
gassen van een stad
dit is geen stad maar de straf van een stad
haar rokende darmen slaan hun putten open
en op de mirages van een vuurstorm beklimt
een vlucht opwindsprinkhanen het zwerk
hun aangezicht is dat
van zestienjarige punkmeisjes
en ze dragen tartaarse helmen met ekstervleugels
hun tanden zijn beitels, hun reet is de
reet van een mantelbaviaan en hun buik toont
het brandmerk van een stad
dit is geen stad maar de kaalslag van een stad
achter hen komen de hete teer lekkende
raven, die hun huiver met zilveren bekken
door de massa scheren, zij bijten
ieder het rechteroor
af, de gevels die ooit bloeiden in
arabesken en papyruspilaren staren nu
onder aangevreten oogleden de
straat in, gekruisigd aan verwelkte rozetten
hangt de bloem van de stad
dit is geen stad maar de balsem van een stad
dan kom jij, een eeuwenoude krokodil, uit
de poel van afwaswater en weduwnaarsdril
overeind, de rook- en vuurkolom
baant weer je pad, op je
omzwachtelde abdissenpoten
waggel je door haar diaspora en je lispelt de
verlegen namen van medelijden
wezenmoeder, zigeunerhoer, vrouw van zeven
smarten, eeuwige stad
dit is geen stad maar de weerwil van een stad
zij trekt het vuur aan de manen over haar rug
en prangt het aan haar geronnen grizzlylurven
haar bakstenen huid hardt zij tot een
pantser van basalt en
haar stalen balken smeedt zij langs de
bogen van haar begeerte, zij zijgt niet zij rijst en zwelt
als de zeppelin, zij barst niet zij trilt
balt de vlammen in haar baarmoeder samen tot
de opstand van een stad
dit is geen stad maar de glorie van een stad
twaalf poorten stoten hun tiara's ten hemel
steil hun voorhoofd, bleek hun bot, onverbiddelijk
hun kaak, langs vijf kanten ontrollen
haar muren hun fronsen
zij heeft de grond niet nodig dat die
haar steunt want zij zit op een tapijt van stierenhuiden
zij heeft de lucht niet nodig dat die haar
dekt want zij troont onder een baldakijn van zink
zij is zichzelf een stad
[1] Ik ben in 1994 aan Apex begonnen, met een regel die ik overhad uit een ander gedicht: ‘Er staat een lichtmast op je adem’. Het gedicht groeide al snel uit tot 5 of 6 strofen (de strofen die nu ongeveer in het midden zitten) maar daarna wist ik niet meer wat ik ermee aanmoest. Het heeft een jaar of drie liggen wachten. Toen ik in 1997 in Philadelphia was heb ik het opgepakt en de plannen om er een begin en einde aan te maken doorgezet. Het is voor het eerst gepubliceerd in mijn bundel Pilonder, hoewel het een voorpublicatie had moeten worden in Parmentier, maar die publicatie werd enkele malen uitgesteld. Uiteindelijk kwam het in jaargang 9 nr. 2, 1999.