| poëzie etc | han van der vegt |
en gingen uit sterven - Hans GroenewegenDichter/criticus Hans Groenewegen is een beschaafd mens. Een beschaafd mens met goede smaak. De meeste critici geven in hun recensies regelmatig blijk van venijn, wrok, woede of in elk geval agressie. Hans Groenewegen nooit. Boutades of effectbejag hoeft men van hem niet te verwachten. Hans Groenewegen schrijft uitsluitend uit liefde voor de poëzie. Hij is niet geïnteresseerd in gelijk hebben of zijn gram halen. Over elke dichter die hij bespreekt heeft hij wel iets goeds te zeggen, overal weet hij wel wat moois te vinden. Dichters die hij niet goed vindt bespreekt hij waarschijnlijk niet. Hij is bovendien een scherpzinnig lezer, die met aandacht en geduld het beste uit gedichten naar boven weet te halen. Hans Groenewegen is als criticus dan ook algemeen gerespecteerd. Ook in zijn poëzie is Hans Groenewegen een beschaafd mens met goede smaak. In twee gedichten, niet de meest geslaagde uit de bundel, spreekt hij zijn afschuw uit over beeldenstormers en vandalen, die een Romaans klooster en de beelden van Jan Wolkers vernietigen. Al bij het vluchtig doorkijken van de bundel springen de namen van Armando, Lucebert en Faverey in het oog. Echo's van andermans poëzie klinken overal door. Cultureel correct, is mijn eerste indruk. Groenewegen gebruikt wel erg vaak de juiste namen. Bij een van de eerste gedichten, de mens sterft dorstig, sla ik, omdat ik blijf steken, de aantekeningen op. Ja hoor, een gedicht naar aanleiding van een foto van Lucebert. Ik bedenk me ineens dat ik een fotoboek van Lucebert heb. (Ik moet toegeven, ik ben zelf ook behoorlijk cultureel correct.) Ik pak het erbij, de foto staat erin. Het is één van de minst voor de hand liggende foto's die je uit het boek zou kunnen kiezen, een duistere, deels onscherpe foto waarin een man (snor, bril, hoed) vanachter een vol glas bier met ondoorgrondelijke blik in de lens staart. Nu ik de foto ken is het gedicht ineens glashelder. (Het was beter geweest als deze foto in de bundel was opgenomen, want niet iedereen is even cultureel correct.) Het eindigt zo: (zo is zijn soort, hij leeft bij gerucht van vleugelslagen sterft andere soorten uit en de lucht, het zwartsel van z'n adem, lekt weg door de breuk in z'n keel) Een magnifiek slot, een genadeloos hard beeld zonder enige opsmuk. Dit is niet het gedicht van iemand die zich om correct gedrag of goede sier bekommert, hier spreekt iemand vanuit een passie. Een passie voor poëzie, een passie voor beschaving. Kenmerkend voor zijn houding, en voor zijn poëzie, is het volgende fragment uit kleine apologie van het schrift: zoals het ging en gaan zal, gaat het dat het zo gaat is onverdraaglijk, schrijf ik over van een meermaals overgeschreven tekst die ooit, voor hij voor het eerst werd overgeschreven, was opgetekend uit een vreemde mond of uit een mij onbekende eigen mond, zoals dat bij jezelf ook wel eens gaat, je hoort een stem iets zeggen wat een vonk door je synapsen blaast zo dat je het ondoordringbare kort doorziet in licht dat je herkent en het is je eigen stem die iets vertelt wat je ergens op zou moeten schrijven wat niet vergaat en wat je terug kon vinden als wat gezegd was dat zou zijn wat je dan net zocht … Voor Groenewegen is het niet zo belangrijk wie wat schrijft. Als het maar geschreven en overgeschreven wordt, als het maar voortleeft. Hij is onderdeel van een beschaving, die teksten en kunst doorgeeft en bewaart en koestert. Het persoonlijke is bij hem een afgeleide van het algemene. Veel van zijn gedichten gaan dan ook over thema's die de mensheid als geheel raken, die het persoonlijke overstijgen: sterfelijkheid, cultuur, natuur. De zon, de zee, het landschap zijn alomtegenwoordig. Dat wil niet zeggen dat Groenewegen geen eigen stijl heeft. Zijn regels zijn lang, vasthoudend en gedragen. Hij toont in elk vers een scherp oor voor ritme en voor verfijnd dooreengeweven klanken. Hij weet binnenrijm perfect te doseren. Er spreekt een groot meesterschap uit zijn poëzie. Alleen in wiegelied, schatplichtig aan Van Ostaijen, weet hij onvoldoende zijn eigen stem te laten gelden. Ik vind niet alle gedichten uit deze bundel even goed. De derde afdeling, van de zeven waarin de gedichten zijn verdeeld, wordt ingenomen door circusgedichten die wel innemend zijn, maar mij uiteindelijk niet overtuigen. Maar er staan ruim voldoende schitterende gedichten in, zoals het laatste, waaraan de titel is ontleend: schepping eieren legden zich ze vonden de maan uit, lagen, braken en gingen uit sterven Compact, geladen, speels van taal, en in zijn slotsom tegelijk onverbiddelijk en lankmoedig. Er zit zoveel ruimte, zoveel hoop in dat woordje uit. Een gedicht dat je rustig in staal kunt gieten, in de rots kunt uithakken, zonder dat het zichzelf belachelijk maakt. Hans Groenewegen kan er fier op zijn dat hij een beschaafd mens met goede smaak is. Zulke mensen zijn er te weinig. Hij schrijft prachtige poëzie. en gingen uit sterven – Hans Groenewegen Wereldbibliotheek, Amsterdam 2005 ISBN 90 284 21130 |