poëzie etc han van der vegt

Ratel opname

Ratel


Sempre la confusion de le persone
principio fu del mal de la cittade
come del vostro il cibo che s'appone

Dante Alighieri,
Divina Commedia


Er is tenslotte niets veranderd
ze blijven binnenkomen met het grondwater
en met de regen dalen ze neer
vanaf hoelang nu al leggen zij hun voorvaderen
niet meer in waden in hun eigen aarde
maar brengen hen onder donker van verre
om hen in een rechte kist in de barre
velden buiten de stadsmuur te vieren
op hun buik, met hun kruin naar voren
in het vertrouwen dat zelfs de dood hun begeerte
om de stad binnen te dringen niet minder
zal kunnen maken, maar alleen taaier
zodat geen twijfel of ongeduld hen tergt
wanneer ze hun armen de knoesten door
de grond in steken, door de klei roeren
en langzaam hun kist naar voren punteren
en het verstrijken van de jaren hen niet stoort
voor ze eindelijk op hun plek arriveren
in de lijn die zich van de begraafplaats uitstrekt
tot onder de kathedraal, de crypte waar
een volgende generatie zal komen, via de slinger
kisten waarvan zij de plankjes voor en achter
alleen maar de grond in hoeven timmeren
om hem in een geschraagde schacht te veranderen
en de stad in te kruipen binnen een paar uur
langs de knoken, tijdelijk terzijde geschaard
vervolgens eerbiedig in bundels gesjord
en vooruit geschoven om onder de zerken
van heiligen, notabelen, geleerden en vorsten
voor eeuwig te rusten in een veilig graf
moeders vertrouwen hun kinderen liever
aan het riool toe dan ze te baren
liefdevol afgedreven zwemmen de embryo’s
stroomopwaarts onder de muren door
hun huid gebleekt door jullie afwaswater
waaruit hun placenta de vetten filtert
die nodig zijn voor hun tegendraadse groei
en wanneer ze hun ogen opslaan is het eerste
dat ze te zien krijgen jullie drollen, wier vorm
voldragen, gedrongen, hen tot voorbeeld strekt
bij de slurpende opbouw van hun lichaamsstructuur
ze verrijzen uit pleepotten, putten in de straat
en dolen, de navelstreng over de schouder
in gevonden, gestolen of geleende kleren
de stad door die ze aannemen als moeder
en als het circus door de straten paradeert
met praalwagens getrokken door zwarte paarden
vol met beren, leeuwen en tijgers
en tweedehands huifkarren die jullie ginder
hadden achtergelaten omdat jullie iets beters
dachten te hebben, met op de bok danseressen
die een liedje zingen van, ‘waar is onze vader
zijn uitgerekt scrotum is tot huif opgericht
zijn voorhuid aan de nok zakt ons steeds nader
de wielen, gedreven in zijn heupgewricht
snikken en smakken zuigend door het snot
kinds van de pijn, de velgen verrot’
dan zitten zíj schrap in de kolk van de endeldarm
van veertig olifanten met wijdbeense tred
waar ze, tegen de bijtende zuren in zwart
plastic gewikkeld en voorzien van water
en een hol bamboestokje naar buiten door de aars
wachten op de roffel van de grote trom
waarop ze tevoorschijn spatten met een koprol
naar de band van de piste, met een salto achterwaarts
die de vliezen om hen heen doet fladderen
met de voeten landen op elkaars schouders
en het applaus ontvangen voor een geslaagde entree
in een stad die hen zo weer naar buiten zal mieteren
wanneer ze tenminste hun afkomst raadt
want elke avond trekt de ratel naar de muur
met een stuk of drie ernstig kijkende rechters
achter de die dag gearresteerde overtreders
met vaderlijke hand geleid door de gendarmes
naar buiten de stad, door de grote poort
die achter hen dichtvalt, knerpend in zijn scharnieren
dan wordt de sluitbalk bevestigd door de wachters
en blijven jullie bedachtzaam nog even luisteren naar
hun bedeesde voetstappen die zich verwijderen

Jullie zijn al vergeten hoe verbaasd jullie waren
in de tijd dat ze jullie stad voor het eerst
bezochten, gebogen in lange rijen
onder pakken met zijde, zakken met graan
toen ze nog zongen van, ‘laat ons erdoor
het taaiste rubber stroomt door onze aderen
al onze botten zijn van blank ivoor
die in diamanten gewrichten draaien
onze buikwand is gevoerd met goud, zo zuiver
dat het ieder vervult van verlangen en huiver’
en de stad bevoorraadden in al haar kwartieren
en buitenwijken, dat van de honderd
er nog geen twintig bij hun startpunt weerkeerden
want jullie dachten dat, zolang hun blik naar onder
gericht zou blijven, ze niet jaloers
zouden worden, maar gevels en straatlantarens
hadden hen niet verlokt, noch jullie meubilair
of vrouwen, het waren jullie afvalbergen
en de rijke belofte aan vlees in de stront
van jullie honden, jullie zelfvoldane bedelaars
en de voedzame lucht die jullie straten doorslingert
zodat jullie begonnen hen bij de stadsrand
door beambten te laten ontdoen van hun goederen
en terug te laten sturen door jullie wachters
met knuppels en later met zware geweren
waardoor ook degenen zonder koopwaar
nieuwsgierig werden en jullie kwamen beloeren
waarop jullie de eerste muur hebben opgericht
die beperkter van omtrek was en lager
en die was opgetrokken uit blinkend marmer
uit de zuidelijke groeven, waar de stenen goedkoper
gewonnen kunnen worden, daarna aangevaren
in een akenkonvooi over de rivier
op snelheid gehouden met aan riemen en roer
taailederen slaven, die de lading bewaarden
met hun gezangen van, ‘waar is onze moeder
haar heupvet heeft jullie planken gebreeuwd
haar dierbare botten maalden jullie tot lijmpoeder
om het zeil te prepareren, we horen haar schreeuw
in het kraken van het hout, in het meeuwengetater
en onder ons golven haar tranen als water’
om vervolgens te landen aan deze oever
waar de stenen, overgetakeld met een kraan
op sleden geladen naar de stad werden vervoerd
waar ze tot een naadloos vlak onwrikbaar
sluitend op elkaar werden gemanoeuvreerd
en bekroond met de lijst van de hoge borstwering
maar op de ochtend van zijn wijding deden de wachters
een ontdekking die het bloed stolde van elke burger
aan de binnenkant van de muur gaapte slechts het kader
van de stenen die de stad moesten beschermen
want in elk ervan bleek een holte uitgeboord
die voldoende ruimte bood dat een mens er gekromd
in kon schuilen, die de dekplaat kon verwijderen
met een trap en eenmaal de leden uitgerekt
zijn pijnlijke lijf omlaag kon vieren
om tijdens wat restte van de nacht te speuren
naar onderdak, drank en voldoende voer
en in de maanden daarop bezweek de muur
onder het gewicht van zijn topzware gaanderij
dat de voze stenen onder zich verpulverde
en de grond in drukte, slechts hier en daar
verhief zich een brokstuk, machteloos en fier
juist in de tijd dat de raffinaderij
die ze veertien dagen voor het kelderen
van de prijs van de voor jullie bestemde suiker
gekocht hadden met geld geleend uit jullie woeker
omdat ze van jullie hadden geleerd
dat alleen arme mensen zwoegden op de akkers
waar het riet nu geoogst werd door gemechaniseerde
zeisen die ze van jullie konden huren
voor een prijs die toevallig een week tevoren
verhoogd was, uit zijn schoorsteentoren
purperen rook begon te hoesten, en roet
dat zich vastbeet in hun gekromde rug
kracht onttrok aan hun vlees, water
aan hun bloed en de ziel uit hun lendenen slorpte
tot een ruit van hun paars geworden huidleer
zich loskrulde van hun verwelkte spieren
waarop de dood gedachteloos intrad
en hun nabestaanden, wier droefenis schier
niets te begraven had, het glimmend, knisperend
perkament namen, dat ze vouwden in de vorm
van aalscholvers die ze op de wind naar het noorden
uit lieten vliegen met de stad als koers
en die, eenmaal boven de daken, hun vlerken
uitsloegen en met een duikvlucht een venster
doorschoten om plaats te nemen bij de bakker
op de toonbank, glanzende roerloze verleiders
wier zoete geur en prikkelende kleuren
voor jullie huwbare maagden onweerstaanbaar
bleken, ze aten hen in eenzame vreugd
en ontwaakten de volgende ochtend zwanger
van blakende zwarte zevenmaands kinderen
die ze pijnloos baarden en na de geboorte
direct te vondeling legden bij de kerk
waar zíj bij dageraad hun ondergronds netwerk
uitkropen om zich over het kroost te ontfermen
het duurde niet lang of jullie hadden door
dat sommigen zich in boomstammen verborgen
van tropische houtsoorten, in de stad populair
waarin jullie de holtes konden lokaliseren
door de bast te bekloppen met de kolf van een geweer
maar niemand van jullie was erop voorbereid
dat enkelen van hen al begonnen waren
zich verder in de bomen te integreren
ze lieten zich — jong nog — aan de stam vastsnoeren
en wachtten tot het hout om hen heen ging groeien
en na afnemende bijvoeding in de eerste twee jaar
schoten de takken hen dan door de aderen
mengde sap zich met bloed, werden vezels nerven
en raakten ze geheel door de boombast omkluisterd
zodat geen holte zich meer liet horen
in het massieve hout, en het eindelijk tijd werd
dat de bomen werden omgedaan door hun houthakkers
die wisten hoever boven de wortels
hun voetzolen zaten, zodat ze zonder
letsel werden geladen op jullie karren
naar de stad gebracht door jullie tractors
met het lied van de berijders, ‘waar is onze broer
zijn darm is gebruikt in plaats van de drijfriem
terwijl zijn pisbuis de cilinders voert
elke klap die hij kreeg, en elke striem
kreunen het uit, schuin door de motor
want zijn strot is mijn kruk, dorstig en schor’
en zo zonder problemen aankwamen bij de zagerij
maar wie ze van hen uit het hout konden peuren
leefden, afgesneden van de saptoevoer
niet meer dan een paar amechtige uren
de anderen, hun vlees ingeklonken, uitgeteerd
verkleurd tot verschillende schakeringen bruin
verrijkten met hun gemengde lichaamstextuur
en de rossige resten van hun geronnen zuur
de lange planken waarin ze dan maar
de stam verdeelden, die jullie huiskamers
nu als salontafels op mogen sieren
waar ze jullie van onder de lak begluren
en daarna kwamen jullie met goede raad
dat alleen de mensen die nog niet modern
in het leven stonden zich lieten regeren
door hun stoelgang maar dat daarbuiten ieder
zijn anus liet sluiten door een erkend chirurg
— ten slotte, hoe minder darmen hoe slanker —
die aansluitend hun buik zou voorzien van een kraan
waarvan jullie natuurlijk de sleutel beheerden
en die ze elke middag op een vast uur
konden laten aftappen tegen een kleine prijs
zodat jullie voor hen hun mest konden sparen
die ze, als er gezaaid moest worden
van jullie konden kopen in handige korrels
maar zíj lieten zich alleen opereren
omdat ze dachten dat de kraan een voorwaarde
was om door jullie te worden geaccepteerd
als ze, voorzien van een vals paspoort
propere kleren en een wassen gelaatskleur
de stad waren binnengeraakt, maar wanneer
ze daar op zoek gingen naar een bureau
waar ze zich konden ontlasten, een arts
die hen kon helpen, liepen ze gevaar
vastgenomen te worden, de stad uitgetrapt
waar ze dan zonder hulp moesten verkommeren
want de kraan was voor jullie een herkenningsmerk
waarmee jullie hen makkelijk konden selecteren
en andere indringers konden hun geperverteerde
anatomie ontsluiten noch herstellen, ze stierven
vergiftigd, stinkend uit alle poriën

Intussen begon het werk aan de tweede muur
opgetrokken uit ijzer waarvoor zíj de erts
leveren mochten, uit een rijke ader
bij hen in de bergen, waarin hun mijnwerkers
dagelijks verdwenen met een lange trein
waarbij ze aanhieven, ‘waar is onze zuster
op jullie bumper trillen haar borsten
het licht van haar ogen leidt ons geruster
haar dijbenen, de assen die ons torsen
laten, nog onder haar verkrachter
door heel de tunnel hun echo achter’
en dat, eenmaal gedolven, naar de stad werd gereden
waar het in daarvoor gebouwde smederijen
tot caissons werd gegoten, zo hoog en zo zwaar
dat zíj, bij het zien van de takel die ze meter
voor meter het landschap oversleurde
dachten dat jullie hardvochtigheid gestraft
ging worden door een stakerig monster
en ze kwamen van over heel de einder
om het oordeel voltrokken te zien worden
maar het enige waar ze getuigen van waren
was het laten zinken van de tapse muurparten
in een diep profiel gestort in de modder
terwijl de soldaten schoten op ieder
die de nieuwe grens durfde te naderen
tot ook het laatste deel was verankerd
en slechts het gat voor een rubberen deur
op te hangen aan dubbele riemen van koeleer
op weg naar het zuiden was uitgespaard
waarna boven de muur de verrijdbare
oven verscheen, die de omstanders nog meer
met ontzetting vervulde door de zwarte rook
die hij uit zijn breedlachend mondstuk braakte
en de dikke gulpen waarmee hij koper
over de bovenrand spoog tot een pantser
waarop geen haak enige greep kreeg
maar zíj begonnen hun plannen alweer
te smeden met stelten, stellages en ladders
toen er eensklaps een gezoem tot hen doordrong
en een geknetter dat hen naar de muur dreef
om het gezang daarin te beluisteren
en ze, zodra ze zijn oppervlak beroerden
tot een vlam en een rookwolk werden gereduceerd
slechts een bruinige afdruk van een hand en een oor
gaf de plek aan waar ze verdwenen waren
en vanaf die dag konden jullie vrediger
gaan slapen als jullie ’s avonds uit het raam
de pulserende band aan de horizon ontwaarden
roodgloeiend, zoetglooiend, glad en roestvrij
en trok elke avond de ratel naar de muur
met een groepje besmuikt grijnzende burgers
achter de die dag gearresteerde indringers
in ketenen geslagen, door soldaten meegevoerd
naar buiten de stad, door de grote poort
die achter hen dichtviel, knerpend in zijn scharnieren
dan werd de sluitbalk bevestigd door de wachters
en liepen jullie weg, hoorden met een half oor
hoe ze jankend de lange terugweg aanvaardden
maar al snel merkten jullie dat ze gebruik
maakten van vogels om de stadsmuur over
te komen, zich op lieten trekken door
de onwillige wiekkracht van ooievaars of reigers
samengebonden tot een span, of anders
door honderden mussen, gestrikt op een raster
dat, gemarkeerd door hun wild gekwetter
een makkelijk doelwit vormde voor de wachters
als het boven de stad kwam zwabberen
waarop jullie begonnen met het couperen
van alle vogels die met net of strik
werden gevangen door speciale jagers
uitbetaald voor elk ingeleverd vleugelpaar
– muizen werden over straat door buizerds
achterna gezeten en de grote adelaar
wachtte om de hoek op de tred van een merel –
maar zíj hadden een andere methode ontworpen
om de stad in te komen, ze namen kinderen
van wie de botten nog flexibel waren
en bonden ze op jullie schapen met een harnas
van riemen dat hun veilige vlucht garandeerde
en legden hen wanneer de stad sliep in de krib
van een blijde, tevoren gericht op het centrum
en haalden de bevrijdende hefboom over
waarop ze in een boog langs de sterren scheerden
en terechtkwamen, afhankelijk van hun zwaarte
op straten, op daken, op hekken, op schuren
waar het schaap met een laatste flegmatische kreet
de val soms kon breken onder zijn ruiter
die zich aan de wol reinigde van bloed en darmen
zijn botbreuken spalkte met intacte beenderen
een paar mooie bouten ontrukte aan de vleesberg
als geschenk voor hen die hem bescherming leverden
en op zoek ging naar de toegang van de onderwereld
wanneer een van hen voelt dat hij gaat sterven
en de hoop om de stad te bereiken steeds vager
en verder raakt, laat hij zijn ziel distilleren
samen met de schillen en gistende resten
van moerbeibessen legt hij zich neer
in een koperen ketel, waar stoom door een rooster
oprijst, de werkzame stoffen absorbeert
waarmee hij zich door een buis bovenin perst
en als het water van zijn leven neerdrupt in een reservoir
want wanneer in zijn open ogen de iris
in het wit is verzonken weten ze zeker
dat hij dood is en zijn ziel gebotteld kan worden
in een aardewerken kruik en naar de stad getrapt
door een bakfietser die neuriet, ‘waar zijn onze kinderen
hun voetjes helpen de wielen te keren
hun adem zorgt dat geen wind mij kan hinderen
hun handjes dragen mijn waren als veren
maar waar ik ook ga, altijd een die schreit
want hun hoofdjes zijn de keien waarover ik rijd’
en via de slijter vindt dit elixer
zijn klanten die levenslang worden gefolterd
door beelden en herinneringen waarvan jullie de oorsprong
niet raden kunnen en die op deze manier
zich ook een plek in de stad kunnen veroveren
en elke avond trekt de ratel naar de muur
in een optocht van joelen, brullen en kraaien
achter de die dag gearresteerde misdadigers
krom van de pijn over de stenen meegesleurd
naar buiten de stad, door de grote poort
die achter hen dichtvalt, knerpend in zijn scharnieren
dan wordt de sluitbalk bevestigd door de wachters
en keren jullie je om zonder nog te luisteren
naar het geluid van hun vuisten, bonkend op rubber
vroeg in de nacht schrikt iedereen wakker
van een schok die hele stad doorvaart,
fel maar gelijkmatig, heftig maar kort
zodat jullie je daarna om kunnen draaien
en door kunnen slapen of er niets is gebeurd
de huizen staan nog, de wolkenkrabbers
vertonen zelfs in de kelders geen scheuren
niets is uit het lood, nog geen schilderij
maar wanneer de volgende ochtend de landmeters
bepalen of iets in de grond is veranderd
constateren ze dat de stad in heel haar omtrek
omhoog is gekomen met een halve meter
want ‘s nachts, door hun smalle gangen verspreid
was ieder van hen in positie gehurkt
tot ze elke paal en elke pijler
in armen hadden, en elke vloer
waterpas rustte op hun harde rug
en toen, op het gelijktijdig sein van hun leiders
rechtten ze allen met een klap de schouders
en hieven de stad naar haar volgende tree
zo steunen jullie steeds meer op hun wereld
met stutten en staken en dragende ijzers
waartussen ze hun netwerk steeds verder uitbreiden
met bredere gangen en hogere kamers
uitgebikt om plaats te bieden aan ieders
steeds groeiende familie en aan wie er verder
van buiten de stadsmuur nog binnendringt
op het middaguur aanvaarden ze de reis
met de zon in hun rug, ze houden nauwkeurig
het pad van hun schaduw bij, geven hem vaart
en buigen hun richting om hem bij te sturen
tot hij tegen de avond verdwijnt onder het donker
ze gaan zitten in het zand, volgen in hun droom
zijn weg door de nacht, hoe hij de stad nadert
hoe hij kort voor zonsopgang onder de poort doorstrijkt
en pas als hij veilig is in een nauwe straat
zichzelf hervindt tussen zijn contouren
en onder het lichaam dat bij hem hoort
zo gaan die twee samen in het zonlicht voort


stem: Han van der Vegt
muziek: Jan Frans van Dijkhuizen
opname: studio Ratsmodee