poëzie etc han van der vegt

Metamorfose

De ingreep was vrijwel pijnloos. Dankzij het wegsnijden van twee klieren
aan weerszijden van de neus werd het menselijk leven plots uitgebreid
met een vierde leeftijd zonder de zwaarte van lichamelijk verval.
Onze aanvankelijke hoop dat de toegevoegde bevolkingsgroep
onze ervaring zou verrijken met haar gerijpte levensinzichten
werd dan wel niet ingelost – hoewel hun vel zich strak trok om hun spieren,
hun bloedsomloop zich schoonspoelde van verkalking, kwam hun hernieuwd elan
voornamelijk tot uiting in eetlust – maar ieder bracht zonder bezwaar
zijn bijdrage op om hun een onbezorgd bestaan te gunnen.
We droomden ervan zelf een dergelijk regime te mogen genieten.
Toch, het stak dat er geen verklaring was voor hun volstrekte lethargie.
De dankbaarheid die wij bij hen vermoedden werd gesmoord in hun vetlaag
terwijl zij ons hun terrassen lieten aanleggen, hun strandpaviljoens
lieten uitbreiden, hun zongelooide huid nog eens lieten invetten
die nu elk menselijk patina ontbeerde en waaraan wij onze
handen regelmatig openhaalden. Hoorden zij nog bij onze soort?
Wij herkenden steeds minder als wij hen in de dorre ogen keken
en vergeefs wachtten op een knippering. We waren dan ook opgelucht
toen even later bleek dat zij hun tuinmeubilair hadden verlaten.





Pas weken later vonden wij hen terug in de vochtige ruimtes
die in deze onvertoonde fase kennelijk hun voorkeur hadden.
Hun gelaatstrekken hadden zich teruggetrokken in hun geharde
huidkap, al hun ledematen waren verschrompeld en afgevallen
maar daarbinnen hoorden wij het trage bonken van een hardnekkig hart
dat naar uit echometingen bleek aan een enkele slagader hing
in een kruiende brei van zich oplossende, herschikkende weefsels.
Een tijd van onzekerheid en verwachting brak aan. Hoe moesten wij ons
verhouden tot datgene wat uit de poppen tevoorschijn zou komen?
Biologen bekeken het menselijk lichaam met nieuwe blik.
Ergens in ons genoom hield zich een mens verborgen die wij niet waren
maar konden worden, of moesten worden als we maar lang genoeg leefden.
Organen die wij voor rudimenten van een voormalige fase
in onze ontwikkeling hielden waren mogelijk de kiemknoppen
waaruit nieuwe lichaamsdelen of nieuwe zintuigen konden groeien
die ons eindelijk konden vertellen wat het doel van ons leven is.
We bouwden voor hen een speciale broedruimte waar zij in alle rust
van de vermoeienissen van hun vorig bestaan konden herstellen
en zich klaar konden maken voor wat hun even onbekend moest zijn als ons.





Vanzelfsprekend hadden we op een luisterrijk verrijzen gerekend,
Toen de poppen uiteindelijk braken en zíj naar buiten scharrelden,
bleken ze niet eens in staat zich zelfstandig van hun vliezen te ontdoen.
Ze kermden haperend toen wij hen wasten en op bedden neerlegden.
Onderzoek was moeilijk. Onder röntgenstralen verdampte hun weefsel
en de aanraking van metalen instrumenten schroeide hun huid.
Goed beschouwd was er niets in hun lichaamsbouw dat hun jaren durende
rijping rechtvaardigde, maar toen wij hen in hun bleke ogen keken,
het parelwit van hun vel streelden, welde er een tederheid in ons op
die we voor elkaar nooit hadden gevoeld. We zalfden hen met oliën
en hielpen hen hun krachten opbouwen met een pap van witte bonen
tot zij zich konden verheffen en hun eigen gewicht konden dragen.
Zo waren zij een tijdlang onder ons, beschouwden ons leven met een
gretigheid die wij elkaar nu ten voorbeeld stellen, en stierven daarna.
Misschien was hun tijd nog niet gekomen, hadden wij hen te vroeg gewekt.
De kans hun betekenis voor ons te achterhalen slinkt met de dag.
Het aantal mensen dat de ingreep laat verrichten is sterk afgenomen
en in de uitgestrekte broedruimte wacht nog slechts een enkele pop.
Spoedig hebben wij alleen elkaar nog maar om ons aan te spiegelen.