Fragment uit Liefst schepsel

Tavistock Square 52

9 okt. [1927]

Kijk eens, liefste wat een heerlijk blad dit is, en bedenk hoe het, als dat scherm en die Campbell er niet waren, vol had kunnen staan met ongelofelijke liefdeblijken: onwaarschijnlijke indiscreties: in plaats daarvan zeg ik niet meer dan wat een Campbell achter het scherm mag horen. Werkelijk, het is erger dan door Lytton in marokijn te worden gebonden en gelezen door alle taarten van het moment. Nu ik het er toch over heb: ken jij een man van die overtuiging, ene Cecil Beaton – die mij wil fotograferen, een portret dat Osbert in een catalogus van commentaar zal voorzien; en moet ik er nou heen en me dat maar laten gebeuren? Ik zeg nee: ik zeg dat ik permanent in Sussex woon. Ik zeg, afgaand op je stijl en manier van doen (dit zeg ik tegen Cecil Beaton) ben je een Ordinaire Schandknaap. Clive, die gisteren langskwam, tollend van de slaap na een – als ik het goed begrijp – orgie, bevestigde dit. Waarom tolde hij van de slaap? O, zei hij, nadat ze allemaal waren vertrokken was hij zijn bed ingestapt, maar kon geen oog dichtdoen. Ik was in een gesloten weerbarstige weerspannige bui en drong er daarom niet op aan dat hij meer zou vertellen. Dus vertrok hij naar Parijs, en volgende week is hij weer terug en ga ik bij hem eten. Is het niet romantisch – die visionaire en etherische geest die doorschijnend boven Gordon Square hangt te peinzen, als een met zilver bespatte wolk? Hoe zullen we hem noemen? Clive komt bij Nessa binnenvallen die vakkundig schapenvlees staat te snijden voor de kinderen, en romantiseert van de hak op de tak over het Leven, Londen, Herfstvuren, gewoon als een man van 46 in de bloei van zijn leven. In augustus dacht ik nog dat hij zich aan een lantarenpaal zou opknopen. Maar Vita, mijn lief, geen woord tegen wie ook over Clive’s geld en Nessa: dat zou fataal zijn, en ongetwijfeld heeft hij eerbare bedoelingen en zal hij de volgende betaaldag een rijke vrouw van haar maken. Ze lijkt de rust zelve.

Hier valt een ontzagwekkend gat. Duizenden dingen die ik wil zeggen kunnen niet gezegd worden. Je weet waarom. Je weet tegen welke prijs – het bewandelen der landwegen met Campbell, je mijn liefdesbrieven hebt verkocht. Goed dan. Dat laten we dus allemaal weg en we gaan verder met Mrs Wells, en de dood, en de begrafenis in Golder’s Green, waar ik morgen heen ga, als ik voldoende kleren bijeen kan graaien. Wells heeft Leonard een heel vreemd kaartje geschreven. Ik zal niet zeggen dat het een ansichtkaart was, met een gezicht op Easton Church, maar het kwam in de buurt; met maar één regeltje, om te zeggen, ‘mijn vrouw is gisteren gestorven; anders hadden wij u en Mrs Woolf willen uitnodigen voor een weekeinde.’ Ik ga naar de begrafenis om te zien wat er gedaan wordt met de lijken van ongelovigen. Wat een genot! Wat hou ik van de ceremoniën en de vreemde correlaties (kun je dat zeggen) van de menselijke soort!

Gisteren was ik wanhopig: je weet van dat rotboek dat Dadie en Leonard druppel na druppel uit mijn borst persen? Fiction of een titel in die richting [Phases of Fiction]. Ik kon geen woord meer uit me wringen; en liet uiteindelijk mijn hoofd in mijn handen zakken: doopte mijn pen in de inkt en schreef als vanzelf deze woorden op een schoon vel: Orlando: A Biography. Nauwelijks had ik dit gedaan of mijn lichaam stroomde vol met verrukking en mijn geest met ideeën. Ik schreef snel door tot 12 uur. Daarna werkte ik een uur aan Romance. Ik ga nu dus elke morgen fictie (mijn eigen fictie) schrijven tot 12 uur; en Romance tot 1 uur. Maar luister; stel je eens voor dat Orlando Vita blijkt te zijn, en het helemaal gaat over jou en de geneugten van je vlees en de verlokking van je geest (hart heb je niet, dat je met Campbell over landwegen gaat lopen flaneren) – stel je voor dat het de glans van werkelijkheid heeft die zich soms aan mijn personages hecht, als parelmoer aan een oesterschelp (en dat doet ons aan een andere Mary denken) stel je, erger nog, voor dat Sibyl volgend jaar oktober zegt ‘Daar heeft Virginia me zowaar een boek over Vita geschreven’ en dat Ozzie [Dickinson] met zijn grote kaken maalt en dat Byard [van Heinemann] gnuift, Vind je dat dan erg? Zeg ja, of Nee: je bent vooral zo’n uitnemend onderwerp vanwege je adellijke afkomst (maar wat zijn vierhonderd jaar adeldom nou helemaal?) en de aanleiding die dat geeft tot grote hoeveelheden bloemrijke beschrijvende passages. Ik zou ook, geef ik toe, een paar vreemde onsamenhangende strengen uit jou willen losmaken om opnieuw te vlechten: de kwestie Campbell komt uitgebreid aan bod; en dan is me, zoals ik je verteld heb, op een nacht plotseling duidelijk geworden hoe ik een omwenteling binnen de biografie kan bewerkstelligen: en als het je bevalt zou ik dat de lucht in willen gooien en zien wat er van komt. Ja, natuurlijk, misschien schrijf ik wel geen regel meer.

Je komt woensdag in de voormiddag? Je schrijft me, nu, meteen, uit plichtsbesef en toewijding, een fijne nederige brief.

Ik ben Knole and The Sackvilles aan het lezen. Jeetje; wat weet je een hoop: wat een rijke stoffige zolder van een hoofd heb je. O ja, ik wil je heel graag zien.

Je V.W. (dat is vanwege Campbell)