Exorbitans
Do I dare
Disturb the universe?
T.S. Eliot, The Love Song of J. Alfred Prufrock
Zingend, ronkend, zwanger van
horizonten,
rook van haar geschubde flanken slakend,
zo hangt ze boven het dok, de vliezen kloppend,
de vensters geloken, wachtend tot men haar gaan laat.
Exorbitans is haar naam, want zij zal buiten
elke bekende baan het heelal ontsluiten.
Aan ons de taak haar daarbij terzijde te staan.
Aan
elke pier van de grote ruimtehevel
die over de rand van het zonnestelsel rolt
ligt wel een schip te wachten op het sein van vertrek,
maar geen smacht zo reisbelust als het onze.
Materie en antimaterie, van elkaar
gescheiden in twee bollen, herscheppen de aanvang
van het universum in haar borst.
Door een luik tussen haar schouderplaten
glijden we een voor een naar binnen en komen
in een gangenstelsel: gerimpelde membranen,
overeind gehouden door ribbenbogen.
Boven ons wordt een lamp helderder
die ons, glijdend langs de nok, op de weg
voorgaat en ons naar de cockpit loodst.
We laten ons in oranje kuipstoelen zakken
waarvan het plastic zich naar onze lichamen voegt.
We steken de draadloze plug in onze neusgaten
zodat het schip altijd weet wat we willen en voelen;
Rolfo doet het alsof het zijn plicht is en Zark
of het een pik is, Mim of ze lachen
moet en Brand of hij dit voor de eerste keer doet.
De metalen lamellen van haar oogleden
schuiven uit het midden van elkaar,
waarmee de navigatieruit zich opent.
Tegen de overkapping van aluminium platen
beginnen door het glas schuchtere lijnen
te aderen. Zo kondigen de modaliteiten
van onze reis zich hier reeds aan ons aan.
Cirkels, verlopend van wit naar rood, omkaderen
de zwaartekrachtvelden van de ons omringende
hemellichamen. Van linksboven vlaagt
een zwerm luchtbellen omlaag: de kringen
van een meteorenregen. Gele
vectoren, die over ons heen jagen, geven
de richting aan van de zonnewind.
Dan wordt het geometrisch schema ingevuld
met sterren en nevels als de sluisdeur voor
ons wegzinkt. Het schip slaakt een luide zucht
en verheft haar trillende huif boven de boorden.
Achter ons zwelt een koor van dissonerende,
dwalende stemmen die naar elkaar toe zweven.
Ze stort zich voorover op het vol akkoord.
We vallen alle kanten ineens tegemoet,
voor wordt boven en opzij van ons onder.
De propulsie perst ons in onze stoelen,
waarvan de bekleding zich om ons heen stulpt tot
een slijmvlies van artificiële
zwaartekracht,
waarin onze dromen koel en vers overnachten
en onze lichamen tegen de druk zijn geborgen.
Wanneer we een constante snelheid hebben bereikt
plooit de plastic cocon zich terug, en we zien
dat de eerst zo strak in de ruit staande lijnen
vervloeid zijn tot golven. Onder Exorbitans' kiel
spat het fluïdum
van tijd en ruimte uiteen
in breed uitwaaierende sluiers van jaren en eeuwen.
In haar zog kolkt daar samen met hier.
Wat bij minder vaart nevelslierten
lijken, zien we nu in hun ware gedaanten,
ineengedrongen in verkort perspectief.
Mensgelijke gestalten, rijp van jaren
laten naakt en loom hun spieren rollen
door de tijdsdimensie. Hun borsten fonkelen
van jonge sterren, van meteoren hun baarden.
Dit moet de ideeënwereld
wezen
fluistert Rolfo ademloos, maar volgens Zark
zijn dit door ruimtewezens gemaakte tekens.
Mim ziet het als vergeten goden, machteloos
uitgestrekt naar een tijd waar ze hopen
kans te maken op hernieuwd geloof.
Ik denk dat we eerst eens wat moeten eten, zegt Brand.

Na lunchtijd
sukkelen we aan de periferie
van een mangaannevel als een enorm hoofd
ons langszij komt en zodoende de peristaltiek
van Exorbitans met haar massa verstoort.
Haar diep doorkloofde tronie, die met rijp
bestoven, de eeuwigheid voor haar splijt,
trekt de blauwe wapper van haar vuurstaart voort.
Iets verderop kunnen we haar achterhalen
waar ze zich wendt om haar tweede mystieke brandpunt.
We peilen haar trillingssnelheid met de radar
en beluisteren haar existentiële
zucht.
Daarop vraagt Brand haar waar haar oorsprong ligt
en welke wil haar gevormd heeft tot wat ze is
en wat haar doel van bestaan is en haar lust.
Ik ben geboren in de samenklontering
van rondzwalkende brokstukken en ruimtepuin.
Ik trok mijn ijs tot een mantel om mijn spil
en ijkte mijn ellips, toen diep in mijn schuimende
kern atomen hun slingers begonnen te vlechten,
de steen doorboorden, zich tot cellen hechtten,
zich splitsten en een weg vraten naar buiten.
Tot ik mijn ogen opsloeg en om me heen
de sterren pardoes in de afgrond zag storten.
Mijn prille bewustzijn vermeide zich ermee
epen te spinnen rond hun roekeloze
zelfmoord. Toen begon het me op te vallen
dat constellaties, die ik al eonen lang
verloren waande, nogmaals langs me stoven.
Zo openbaarde zich het heelal opnieuw
aan mij. In elke baan die ik trok zag
ik oude bekenden me blind voorbij schieten,
benieuwd wanneer ik hun terugkomst kon verwachten.
Calculus en exponentieel waren
nog slechts een kwestie van tijd. Ik achterhaalde
de wetten van mijn bewegingen en die van anderen.
Nu is mijn rots verzadigd van kennis en moet
mijn kennis zich weer verharden tot de rots.
Misschien zullen ooit mijn cellen tot nieuwe gloed
ontwaken in dit gesteente, misschien zorgt
hun code ervoor dat mijn opvolgster de kennis sneller
verwerven kan, misschien de steen overweldigen
kan en hem kan sturen naar een fellere zon.
Maar evengoed kan er niets meer uit deze steen
ontstaan dan het blauw dat hij over de hemelvloer strijkt
of een wezen van andere aard, iets dat geen
waarnemingen doen kan, voor zich kijkt
zonder begrip of interesse, een gedrocht
dat eenvoudig te lui is of te stom
om iets van zijn omgeving te kunnen begrijpen.
Dan doet ze er het zwijgen toe, verbitterd
of gestorven, haar baan blijft er eender onder.
Exorbitans legt haar neus in nieuwe richting
en spint ervandoor op de spiegels van het licht. Rolfo
verklaart dat het leven geen nut heeft en Zark zegt, alleen
voor wie er geen kut heeft, Mim hapt naar adem
maar Brand zit al in zijn oranje cocon.

Wanneer
we
wakker worden uit de omarming
van ongrijpbare dromen en taai plastic
zien we door het raam dat Exorbitans
ons naar een nieuw onderzoeksobject
heeft gebracht: een kleine, met pokken en korsten
bezette planeet, ondergelopen met modderige
plassen, waarop wellicht leven valt te ontdekken.
Met schuin tegen elkaar in wiekende rotors
plaatst het schip ons precies op een puisterige heuvel
en meet of de lucht hier geschikt is voor onze soort.
Een minuut later zetten we onze neusvleugels
wijdopen voor de zware geur van schimmels,
stilstaand water en welig gistend bezinksel.
De bodem is van ongedierte poreus.
Behoedzaam voor valkuilen en drijfzand dalen we af
naar een vallei waar de stank haast ondragelijk wordt
en stuiten daar op een belangwekkende plant.
Door een fistel, tussen brede, stompe
bladeren die het steeds koelte toewuiven,
steekt een bosje stamperachtige vruchten naar buiten:
harde gladde stelen, bekroond met een knop.
Zark kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen
en plukt
één
van de knotsen die makkelijk loslaat.
Hij ruikt eraan, hij knijpt er voorzichtig in.
Zijn handen trillen, zijn ogen lichten op
en dan, tot onze schrik, zet hij zijn tanden
in de dunne korst, die openbarst.
Hij kauwt. Het gulle sap lekt uit zijn mond.
Zarks bewustzijn raakt bekneld tussen
een sliertige woekering van onbekende indrukken.
Beelden en ideeën
strikken zich in lussen
om de hem vertrouwde zieleninhoud.
De aanvankelijke wellust op zijn gelaat
maakt voor een asgrauw getinte afschuw plaats.
Uit zijn mond walmt schroeilucht. Zijn huid schilfert.
De grond begint te beven waar hij neerslaat
en ijselijke kreten stuiteren aan van over de horizon.
Uit holen en gangen komen wezentjes vandaan
die zich voortbewegen op de stootkracht
van hun buikjes, een verplaatsingswijze
waarin ze grote nauwkeurigheid hebben bereikt.
Ze leggen om de plant een strak kordon.
Hun kogelronde, zelfs in stilstand nog
licht op en neer verende lijfjes vertonen
slechts
één
uitstulpsel: een dunne wervelkolom,
waarop een bol draait die dienst doet als hoofd.
Daarin is een wijde mond uitgespaard
die ze voortdurend open laten staan,
want vanuit hun keelopening tuurt hun dofgrijs oog.
Het gros verwelkomt ons op een monotoon dreinen
dat we interpreteren als rouwbeklag,
terwijl het gremium ons meewarig bekijkt
en daarbij met zijn bittere adem bewasemt.
Brand biedt hun onze excuses aan,
zegt niet te begrijpen wat we hebben misdaan
en vraagt hen naar de betekenis van de plant.
Dit is wat wij noemen onze teugel.
Met de vrucht van deze plant beheersen
we ons lichaam. Aan het eind van de jeugd,
als het uit zijn schulp komt en voor het eerst
in beweging schiet, splitsen we het kwiek
een teugel in
één
van de drie openingen die
we allen hebben in ons achterdeel.
Anders zou het zonder enige remming
in het rond gaan bonken, tegen alles
opbotsen, overal zijn beet in zetten
en schade toebrengen aan zichzelf en anderen.
De teugel geeft het lichaam kader en doel
en rust en helderheid, zodat het zijn doen
en laten met enig overleg kan afwegen.
Het lichaam is daarmee niet zonder fouten.
Het kan zich goed vergissen of moedwillig
een andere richting dan zijn teugel houden.
De wrijving tussen de teugel en het lichaam
maakt dat onze opening een rode drek
afscheidt, die, eenmaal droog, het contact belemmert,
zodat het lichaam terugvalt op eigen wil.
Onze intieme hygiëne
is dan ook
een delicate zaak, omdat daarbij
al onze innerlijke strubbelingen naar buiten komen,
maar we ons niet zelfstandig kunnen reinigen.
De wederzijdse teugelwassing geschiedt
alleen op maanloze nachten, als niemand kan zien
hoe het water rood kleurt en schuimt van spijt.
Onze anatomie kent vele toepassingen.
Zo vergaderen voor ons hoogste orgaan
de teugels van onze drie zoenheren
om beurten in
één
hunner lichamen,
terwijl de anderen vastgebonden toekijken
hoe het de extase des besluits bereikt.
Bij reine teugels wordt het tot wet verklaard.
Als er een lichaam sterft verdelen we
de teugel gelijkelijk onder de nabestaanden.
Tijdens de gewijde verbranding eten ze
die gezamenlijk op en proeven zo aan
de gedachten die hun geliefde dreven.
Dit is niet ongevaarlijk want wie te veel
eet kan het zoals uw reisgenoot vergaan.
Dan kijken we naar Zark, die geblakerd
en verstijfd op de grond ligt na te smeulen
en nederig op onze knieën
vragen
we de wezens om tegengif voor de teugel.
Ze vertellen ons dat er niets tegen helpt
en dat alleen het verloop van de tijd zelf
bepaalt of het juichen wordt of heugen.
Pas wanneer we hen onze voorraad bananen
aanbieden in ruil voor de verloren vrucht
tonen ze zich iets meer met Zark begaan.
Terwijl de meesten hun lichaamsholten vullen
met onze geschenken en daaraan zelfs enige
nieuwe gedachten lijken te ontlenen,
geven anderen hem de eerste hulp.
Spoedig stijgen de aswolken al van hem op.
Met lichte, rake klopjes van hun kaken
tikken ze barsten in zijn schildpaddenkorst.
Al kwijlend en soppend smeren ze een laag
taai speeksel over hem uit. Het hardt tot een vel
waar hij met een beweging wordt uitgepeld.
Naakt komt hij tevoorschijn, rozig en blakend
en knippert met zijn ogen en hoest eens flink.
Dan is de tijd voor afscheid weer gekomen.
We wensen hen veel teugelvreugd en stappen in.
Rolfo maakt zich zorgen om de verschroeiende dosis
van Zarks hallucinaties, die zelf meer last van aangebrande
halitosis heeft, Mim ziet het vooral als een catharsis,
maar Brand zit al in nieuwe dromen gezogen.

Van alle
planeten langs onze weg door de ruimte
heeft de kleinste een omtrek van dertig meter
en is opgetrokken uit groenige puimsteen.
Exorbitans zou zozeer op haar massa wegen
dat ze daardoor geheid uit haar baan zou raken.
We besluiten om Mim en Zark te laten
vallen van enige afstand boven de planeet.
Slechts een lichte vering van de tenen,
die het tere oppervlak ongeschonden
laat, voldoet om onze val te breken.
Daarop maken we een eerste inspectierondje.
Geen klimaatgordels, geen magnetische velden,
geen verschillen in grondsoort. Geen heuvel verheft
zich uit de bodem, bedekt met een vlokkig mos.
In deze laag is een spoor uitgegraasd
dat onze leidraad vormt bij verdere verkenning.
Het voert ons naar een wezen zonder kop of staart
of enig ander kenmerk in haar blauwgrijs vel
dan de gele pulserende spleet waarmee ze zich
houvast geeft, en die we pas vinden
als Mim haar met wat moeite los weet te trekken.
We nemen haar mee terug naar het schip
waar we haar in de quarantaineruimte
leggen onder een verhard glazen schild.
Door middel van telescooparmen beplanten we haar huid
met sensoren, die haar consumptiepatronen,
uitwasemingen en chemische gewoonten
kunnen meten en vastleggen voor later gebruik.

In de
diepten die zich uitstrekken bezijden
de melkwegstelsels laat de materie haar snaren
vieren, zodat de tijd vrij spel krijgt.
Het schuim der dagen, met taaie draden,
verzwaart haar deining. Exorbitans stampt
en hijgt maar verstrikt zich in de laaiende val
die haar met zijn tentakels aan zich slaat.
Twee- en driekoppige draaikolken worstelen
daar een nooit voldongen kamp uit in het vuil
van het universum. Ze onthoofden
elkaar onverhoeds bij het kruis,
ze verlengen hun nekken met elkaars
ledematen, bijten zich vast in een staart,
die zich omplooit tot hun zoveelste muil.
Om en om rond Exorbitans' romp
strengelen zich hun kluiven, van ongenoegen
neuriënd,
op jacht naar haar intieme zones.
Ze klapt de borstels uit haar wervelgroef.
Een pijnscheut rilt door de wortels van de tijd.
Het schip wentelt zich in een bres en rijt
zich naar de andere kant, hikkend en boerend
Dan breekt een tijdssliert door de filters achter
de kieuwplaten, en slangt zich verder een weg naar de cockpit
tot boven Rolfo's hoofd. Een plafondlas klappert.
Hij ramt met zijn vuist omhoog de kier weer dicht,
maar een grillige krul slingert zich rond zijn pols.
In een oogwenk rimpelt zijn hand en verdort.
De vangarm lost tot mist op in het licht.
Zwoegend klimmen we op naar geleidelijker gebeuren.
Een gelige nevel is het eerste teken
van nieuwe aanwezigheden. Met gazen vleugels
brengen we zijn weeë
adem tot leven
en laten ons uitdrijven op bestede kracht.
Daar ontwaren we in de verte een man
die zich moeizaam naar ons toe beweegt.
Mim en Brand trekken de pluggen uit
hun neus en ritsen zich in hun ruimtepakken.
Door Exorbitans' keelgat zakken ze naar buiten
en laveren op de vreemdeling af.
Brand vraagt hem hoe hij hier verzeild is geraakt
en met welke bedoeling hij de reis heeft aanvaard
en hoe hij het er in godsnaam levend vanaf heeft gebracht,
wanneer we plotseling zien dat het Jezus is.
Het fluorescerende schijnsel is van zijn gewaad
gesleten. Ruimtestof en roos glinsteren
op zijn schouders. In zijn krans zijn de stralen
grotendeels uitgedoofd. Van ons wegkijkend pulkt
hij aan de huidflarden langs de uitgelubberde
wond in zijn zij. Hij begint te praten.
Mijn hemelvaart is niet rechtstreeks verlopen.
De engelen die mijn wolk opwaarts dreven
jengelden aan mijn hoofd met vragen zo loos
dat ik heimwee kreeg naar mijn farizeeërs.
Hoe was het eten? Is het waar dat de mensen
zich voortbewegen door lucht uit hun aars te persen
en verliezen ze met hun pis ook hun ideeën?
Ik stuurde hen vooruit: ik red me wel,
vertel mijn vader vast dat ik eraan kom.
Ik keek hen na en klom alleen verder.
Ik voelde me moe, weer in de steek gelaten.
Misschien had het hele gedoe me te veel gekost
en had ik er nooit aan moeten beginnen. Ik zocht
een geschikte richel en legde me te slapen.
Veel later werd ik wakker zonder richting.
Ik keek om me heen op zoek naar een punt van herkenning.
Wat zong mijn vader toen hij de sterren schiep?
Ik wist het niet meer, waarheen ik me ook wendde,
de hemel was ik kwijt. Soms vraag ik me af
of ze daarboven nog steeds op me wachten,
of dat ze genoeg hebben aan de vreugde der wet.
We zeggen dat we hem niet kunnen helpen,
maar dat we, mochten we de hemelpoort
ooit ergens vinden, terug zullen komen voor hem.
Daarop vraagt Mim hem of hij iets doen kan voor
Rolfo zijn hand. Hij maakt een tastend gebaar,
en zie, wanneer we in de cockpit staan
blijkt de hand weer maagdelijk als tevoren.

Iets
verder
verschijnen alweer de eerste planeten.
Rond een gemoedelijk gedempte enkelzon
zoemen er drie van vrijwel gelijke leest,
waarvan de middelste, blauw en groen blozend,
ons direct verleidt het schip aan de grond te zetten.
Koele zeeën
en zoele continenten
glunderen ons toe vanonder de wolkenzoom.
Exorbitans vliesvleugelt zich verticaal naar beneden
en landt op een weide, omgeven door bosschages:
een plaats zo getekend door fotosynthese
dat we de instrumenten zelfs niet raadplegen
om te zien of we hier ruimtepakken en zuurstof
nodig zullen hebben. De rijpste, puurste
lucht begroet bij uitstappen onze adem.
De diersoorten hier bewegen zich voort op twee
of drie organische wieltjes zonder profiel.
Daarboven wellen allerlei vormen, weelderig
en kleurrijk, veelal symmetrisch doormidden gekliefd.
Ledematen hebben de meeste niet nodig.
Ze leggen zich in het water dat overal stroomt
en zuigen zich vol met de langsdrijvende wieren.
Een dier trekt bijzonder onze aandacht,
nietig en blind en grauw als het is: het rolt
zich voort op een enkel wiel. Zijn staart,
onhandig lang en gepluimd, gebruikt hij om
zijn evenwicht mee te bewaren. Maar wat ons het meest
verbaasd is dat het exact het uiterlijk heeft
van onze hersenen, tot in de kleinste lobben.
Het leeft in dichte kuddes, die een rechte
baan door het verraderlijke landschap volgen.
Stuit het op een obstakel dat niet valt te slechten
en waartegen de voorhoede zich tot pulp botst,
dan kiest het willekeurig een andere route.
De dieren die zich ermee voeden, hoeven
slechts te wachten tot hun maal zich opdient.
Twee van de grotere driewieldieren, goed
voorzien van uitlopers met allerlei handige beitels
en kennelijk in staat tot perceptie, komen ons groeten.
Brand wenst hen namens de gehele mensheid peis
en vree, vraagt hen naar de hersenbeestjes
en of in het verleden iemand van deze planeet
er toe is gekomen naar de aarde te reizen.
Grappig dat u erover begint. We hebben
in onze jeugd vele reizen gemaakt door tijd
en ruimte. Ouder wordend raak je gewend
aan rustiger levensstijl, maar wat is het fijn
om nog eens herinneringen op te halen aan
die mooie tijd van roven en moorden en jagen,
die jaren in de ruimtepiraterij.
We herinneren ons de planeet die u beschrijft
nog goed, vanwege de eigenaardige schuivende
platen en de grote bodemrijkdom.
We hebben de nodige schatten mee naar huis
genomen voor onze nijverheid en landbouw.
Het zou ons misschien sieren daarover berouw
te betuigen, maar alles is inmiddels verbruikt.
We herinneren ons vandaar nog wezens
die voor dezelfde diertjes als u belangstelling
toonden. Op reis namen we ze altijd mee
als handzaam en regenereerbaar rantsoen. Zij hapten
alleen de wieltjes eruit
–
een delicatesse
–
om ze vervolgens levend op hun hoofd te zetten
tegen de zon en ermee aan de haal te gaan.
We konden er wel een paar missen
–
ze fokken vlotjes.
Daarbij vonden we het een koddig gezicht. Regelmatig
kwamen we uw dieren tegen in deze uitdossing.
Ze zaten in groepjes langs de kant van het water,
trokken bekken naar hun spiegelbeeld,
vergeleken elkaar, vonden zichzelf steeds
mooier en ruilden totdat de avond daalde.
We danken hen beleefd voor de informatie
en bij het daaropvolgende afscheid bieden
ze ons als souvenir twee diertjes aan.
We moeten afslaan. We zijn al ruim voorzien
van leeftocht, zeggen we, en we hebben
op aarde nog meer dan genoeg van deze schepsels.
Exorbitans popelt om de ruimte weer te kiezen.
Hebben onze hersenen ons denken geleerd
of wij hen, zingt Mim. Rolfo hoopt
dat zich een hemelomspannende wil interesseert
in onze intelligentie, maar Zark geloof
dat die de panne is van een modegril.
Brand denkt volmaakt nieuwe gedachten in stilte
en in het veilig oranje omhulsel besloten.

Aan het
begin van de kunstmatige dag,
als Exorbitans haar ochtendscheten opwarmt,
gaat Zark naar de quarantainehal.
Een week lang heeft onze gast geen enkele stof
opgenomen. Wel heeft ze de buitenste schil
afgelegd van haar nu rozige huid. Er lilt
een teerachtig vocht uit haar weke poriën.
Zark buigt zich over het bedieningspaneel.
Hij stort milde oliën
over haar uit
en sopt daarmee voorzichtig het zwarte zweet
van haar af. Een gootje voert het naar buiten
waar hij het voor analyse drogen laat.
De obsceniteit van de blinde bolling maakt
hem ongemakkelijk. Hij verlaat de ruimte.

En
voort maar
weer door de vetlagen van het heelal,
tot we tenslotte bij een hemelkwadrant
uitkomen, waar we nieuwe vormen van leven
hopen te kunnen waarnemen. Exorbitans
verbreedt haar greep op de stuwingen in het duister.
Nog een enkele zindering, en de sluier
van de werkelijkheid stolt om haar kap.
Vastgekleefd aan de buik van meteoorgesteente
scheert een slinger harige wezens, de kammen
en baarden alle zeilen bij, langs ons heen.
De radio springt aan en laat een extatisch lallen
horen, maar schiet meteen door het rood.
De luidspreker fluit een ijle, zielloze toon.
Exorbitans kan hun vreugde niet bevatten.
Deze jubelt ons sneller voorbij dan gene,
afhankelijk van de door hem bereden kluit.
Heftige gebaren naar zijn wakke delen
vormen zijn afscheidsgroet aan tragere ruiters.
Soms komt een zadel in een spin terecht
die afbuigt van de gemeenschappelijke bestemming
en zijn last van zich afwerpt, met wapperende pluimen.
Een enkeling gebruikt de stootkracht die de botsing
met de stenen van zijn gezellen hem meegeeft
om meer vaart te maken. We bewonderen
de precisie waarmee hij de hoek berekent
van inslag, zijn wendbaarheid, de sierlijke guirlandes
die hij om de anderen heen spint, de spatten
waarmee hij zijn pad markeert van scherven en veren.
Maar kijk, aan min of meer dezelfde gang
wacht allen in de diepte eenzelfde eind,
waar een dappere pulsar zijn code, gebald
in twee strakke bundels, de hemel inseint.
Het komt ons voor alsof hij telkens even
sputtert als van dit drieste ras er
één
de actieradius van zijn vlammen bereikt.
Links verheft zich de Eierstok van Noet,
een nevel, befaamd om zijn hoge sterrenproductie.
De bloemige zwellingen gloeien vermiljoen
in het inwendig licht van de zwangere vruchten.
Her en der breekt uit de gasomkluistering
een eerste gil, een bol, een bil, een buik,
een lichtstraal die de boreling naar buiten drukt.
Op ruime afstand van de staande kolom
slijpt Exorbitans een warse schroefdraad omhoog
tot we bovenin, waar het sterrenstof
dunnere vezels trekt, een gebulder horen
dat zich door de damp die hier hangt verspreidt.
We sturen het schip in een strakkere baan en bekijken
of het geluid organisch wordt veroorzaakt.
Om de strengen nog ongevormde materie
waarin de nevel zich opsplitst, geven drie
giganten zich houvast met hun onderleden.
Voortdurend brullen ze het uit, ze gieren
met wijdopen mond en schudden daarbij hun woeste
krullen op hoofd en rug in scheppingsroes.
Ze laten hun billen kletsen van plezier.
Hun machtige handen, elk met zeven vingers,
persen het gas samen tot ruwe klompen
die ze tot sterren in allerlei vormen en tinten
bewerken met de gereedschappen aan hun koppel
en gooien ze achteloos achterover de nacht
in, waar ze zwaartekracht en vaart hun verdere gang
laten bepalen, zonder hoop of zorg.
Sterren met vliegwielen, sterren met gevorkte
staarten, sterren met voeten, ovalen sterren,
sterren met brandende vleugels, sterren die op
hun fotosfeer volledig de vorming van vlekken
beheersen, zodat die decoratieve patronen
of boodschappen kunnen vertonen, sterren, doorboord
met een gat waardoor een planeet haar baan kan trekken.
Angstvallig de projectielen ontwijkend nadert
Exorbitans de kleinste van de drie,
met rode ogen en de langste baard
die juist bezig blijkt aan een ster met een ziel
als Brand hem onze vragen doorseint:
wie zijn ze, wat is de oorzaak van hun blijdschap
en uit welke roeping beoefenen ze hun stiel?
Wij zijn de scheppers Semiurg, Hemiurg en Demiurg.
De chaos was nog een bloedrode baaierd waarin
vuur zonder vingers laaide door stof zonder huls
toen wij er al naar geschikte materialen
rondkeken, maar niets bood weerstand aan onze hand
tot we
–
wat is er vindingrijker dan wanhoop?
–
de leegte zelf te lijf gingen met onze hamers.
De flinters en schilfers die we lossloegen krulden
we om en om over hun dimensies
tot ze de drie intieme openingen omhulden
van het zijnde, met zevenvoudig gepantserd niets,
waarna we hen
één
voor
één
in trilling brachten
en op elkaar afstemden met vijl en tang
en toen de deeltjes schiepen uit hun lied.
Het was een tijd van ongekende kansen
waarin elke horizon een opstap vormde
voor onze voet, naar een hogere schaal van wasdom.
Nooit zal ik vergeten hoe we het stof
voor onze eerste ster pluisje voor pluisje
afplukten van onze eerste nevelpluim
en hoe fier we waren toen ze vonkte.
Maar als zo vaak betaalden de scheppers zelf
de dure prijs voor het succes van hun maaksel.
Het duurde niet lang of we merkten dat de sterren
ons niet meer nodig hadden voor hun ontstaan.
Alles ging vanzelf. Niemand vroeg
ons meer hoe we de hemel ooit hadden bedoeld
of hoe we vonden dat het verder moest gaan.
Nu zijn we teruggekeerd naar het eerste begin:
een eenvoudige werkplaats en drie kerels
die van aanpakken weten, met moed en met zin.
Als je werkt met je handen dan voel je dat je leeft.
Ooit zullen we het universum versteld
doen staan van een nieuw product, ooit zullen we scheppen
waar niemand op wacht, maar wat iedereen nodig heeft.
En dan, met een welgemeende groet,
kleppert Exorbitans er alweer vandoor.
Scheppingsdrift drijft het heelal, roept
Rolfo, en Zark: etter en kift sturen het voort,
Mim houdt niet van speculeren, maar Brand
zegt dat hij er zo nog nooit over na heeft gedacht.
Onze stoelkap heeft weer eens het laatste woord.

Het plastic
om onze lichamen vouwt zich terug
in zijn oorspronkelijke stoelvorm en de dag
aan boord van Exorbitans begint zijn vlucht.
Rolfo is ons net aan het vertellen dat
de hand die hij van Jezus heeft gekregen
minder bevredigend is dan hij eerst leek;
zo weigert hij iedere bijstand bij de ontlasting,
wanneer het schip ons op een okergele
ster attent maakt met sproetig voorkomen.
Haar enige metgezel, een kleine planeet,
trekt in een nauwe baan haar jaren door.
We raken meteen gecharmeerd van haar bonte
dampkring, waar flora en fauna zich graag onder
ophouden, en ook haar spectrum kan ons bekoren.
Maar zodra we, in ruimtepak gestoken,
vaste bodem onder de voeten hebben
vermoeden we al: er is geen leven mogelijk
in de borrelende soep, waarin alle elementen
hun tinten en gezindten hebben samengegaard
tot een grijsachtig bruin. Slechts hier en daar
weet er zich een platform uit te verheffen.
Terwijl Exorbitans de aardplaat die
ze voor ons heeft uitgekozen in balans houdt
proberen we monsters te nemen, maar niets
van ons materiaal dat niet smelt in het sop. We stouwen
de tassen alweer vol als Mim, die verderop de structuren
waaruit ons continent is opgebouwd bestudeert,
onze koptelefoon doet beven van haar benauwdheid.
Als we ons omkeren zien we haar lichaam dood
op de grond liggen. Het vizier van haar helm
is gebroken en tussen haar lippen stroomt
een kolom omhoog van rode bellen
die zich wentelt om eenzelfde kolom
van blauwe bellen, ze kopiëren
elkaars opbouw
en kleuren en mengen zich in fonkelende werveling.
Rond die twee zwieren in een cirkel
andere kolommen die zich goedkeurend neigen
naar deze esoterische uitwisseling.
Zark wil zijn subsone desintegratiegerei
al pakken, maar Brand houdt hem wijselijk tegen:
als er nog hoop is voor Mim, dan is die gelegen
juist in de wezens die haar leven bedreigen.
En inderdaad, daar vloeit Mims bloed alweer
belsgewijs terug door haar mond. De blauwe kolom
sluit haar helm voor haar af met een teerachtig
vocht, zodat de zuurstof haar pak weer doet bollen.
We zien de wezens in de bruine stroom
vlieden. Rolfo kijkt op zijn horloge:
het heeft niet langer geduurd dan dertig seconden.
In de quarantaineruimte leggen
we Mim op een onderzoekstafel. Haar huid golft
en bobbelt over de stuwingen van haar rebelse
bloed. We laden de apparaten op
om haar weer tot leven te wekken maar Brand roept
vol verbazing dat dat niet meer hoeft:
Het bloed blijkt haar hart al op gang te hebben geholpen.
Gedurende de dagen daarop kalmeert het geleidelijk
en voegt zich steeds meer naar de nauwe aderen.
Het heeft zich er blijkbaar mee verzoend te blijven
voorzien in Mims voedsel- en zuurstofaanvoer.
Grote blauwe plekken, waar we ons eerst
nog zorgen over maken, verdwijnen weer.
Toch duurt het een week voor ze haar ogen opslaat.
Als ze de volgende dag met de koffie bleek
en ingevallen in de cockpit zit
vragen we haar naar wat ze heeft beleefd.
Ze vertelt ons dat haar bloed nu deelachtig is
aan bovenaardse wijsheid en een beschaving
waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken
maar dat haar verstand geen greep heeft op de verlichting.
Ze dwaalt door de gangen, staart naar een blinde wand,
lispelt woorden in een taal die we niet
verstaan, recht dan haar rug en balt
haar vuist, en richt zich op haar leven hier.
Ze voert kleine werkzaamheden uit. Zodoende
herstelt ze langzaamaan de band met haar bloed
en leert ze opnieuw hoe het te bestieren.
Op zekere ochtend staat ze aan de tafel
waarop we onze logé
hebben neergelegd.
Ze geeft zich over aan de fascinatie
voor het kloppen onder het vette vel
waarin onze naalden en meetinstrumenten steken.
Dan schiet er een herinnering door haar heen
en ze zegt tot haar, ik noem je Warbizengt.

Na een
dag of twee op volle snelheid
wat kale ruimteplooien te hebben doorploegd
komen we in een nieuwe hemelstreek terecht.
Exorbitans heeft een berekening uitgevoerd
waaruit blijkt dat geen van de planeten
hier kans biedt op enige vorm van leven
en ziet daarom geen reden hier lang te toeven.
Tot plotsklaps het alarm in werking treedt.
We remmen af. Een konvooi ruimtearken
komt kort voor ons heen: logge schepen,
de balgen gevuld, de buikriemen aangespannen.
Aan de onder- en bovenzijde draaien
acht traag voortploeterende raderen
hen een evenwijdig stel lichtstralen langs.
Ze worden aangedreven door schonkige wezens,
gestrikt in een klokwerk van pedalen en riemen.
Op de gewrichten van hun negen benen
valt de kier van een schielijk oog te zien.
Zark en Brand besluiten eens te gaan praten
met de piloot die op de voorplecht staat:
een schepsel met een volledig ander profiel.
Wanneer we eenmaal in ruimtepak voor hem zweven
blijkt het niet eenvoudig ons tot hem te richten.
Wat op zijn hoofd lijkt hangt tussen zijn benen,
terwijl zijn bloemvagijn over zijn schouders bilt.
Brand vraagt, met zijn blik op de holle buik,
waar hij vandaan komt, wat er in het ruim
vervoerd wordt en wat daarvan de bestemming is.
We voeren een transport uit vanaf gindse ster.
Onze lading bestaat uit louter licht,
opgevangen in condensatiecellen
waar het zijn snelheid verliest en steeds verder indikt
totdat een parelend, groen vocht zonder warmte
of gloed zich afzet langs de binnenranden
en wordt weggezogen naar het ruim van het schip.
Vroeger werd het in slechts kleine hoeveelheden
gebrouwen, en was het gebruik voorbehouden
aan onze machthebbers, die visioenen beleefden
door het, vermengd met zand en bloed, op te kauwen.
Nu moet ieder van ons het dagelijks nuttigen
en er zijn huid mee zalven, willen we kunnen
werken. Anders worden we zwak en koud.
Ooit, in een fel en paradijselijk verleden
prezen we ons de fortuinlijke bewoners van
de planeet Gol, waarvan de gaarden en beemden
werden verlicht door een ster met de naam Jasper.
Zorgeloos strekten we ons uit in haar schijnsel,
dat onze huid deed gloeien en ons verleidde
te denken dat dit voor eeuwig ons eigendom was.
Maar al hadden we alles wat we begeerden,
we brachten ons leven daarom nog niet in wellust
en ledigheid zoet. Nee, we stilden de leergier
met telkens nieuwe proeven en experimenten
Zo hadden we een put in de aardkorst geslagen
om de ware aard van het donker te achterhalen
dat zich naar we dachten daar moest verbergen.
En inderdaad, zo bleek het ook te zijn.
Toen we de buitenste laag hadden opengelegd
verrezen deze schepsels, die hun blijdschap
met asymmetrische sprongen lieten kennen.
Natuurlijk sloten we hen onmiddellijk op
en daalden, van fakkels voorzien, af in de grond
om hun grotten en arsenalen bloot te leggen.
Met open ogen liepen we in hun val.
Ze hadden rond het hart van de planeet
een gasbel aangelegd, die vlam vatte,
scherven aardschil weghoestte en Gol geheel
uit haar voorgeschreven baan blies.
Met een staart van razend vuur zwierf
ze weg uit de sfeer die door Jasper werd beschenen.
Toen er tenslotte een einde kwam aan het gas
waren we verzeild geraakt in duistere kringen.
We kropen over de grond en likten aan het zand
om het laatste licht daar nog vanaf te drinken.
Onze huid schrijnde van lichtgebrek
en onze ogen teerden werkeloos weg.
We konden niet sterven, maar niets gaf ons leven nog zin.
De enigen die niet werden aangetast door het duister
bleken de monsters die van alles de oorzaak waren,
zodat we besloten hun spierkracht te gebruiken
voor een reis om het licht dan zelf maar te gaan halen.
Ze moeten zich bewust zijn geweest van hun schuld
want ze zetten zich met ijver en geduld
aan de arbeid die hen werd opgedragen.
We lieten hen deze holle schepen bouwen
voor de tocht, en gingen allen aan boord
met de laatste tonnen van ons brouwsel.
Op onze heenreis hadden we nauwelijks voorraad
om onze lippen en ons geslacht te bevochtigen.
Maar we hebben het gered. De schepen zijn vol.
Jasper heeft ons zijn dikste licht geboden.
Met onze werkkrachten hebben we ons verzoend.
Als we hen kunnen verleiden zich voort te planten
kunnen we misschien een vaste veerdienst voeren
en onze waar verkopen aan het ganse heelal.
Zo zal ons leven een komen en gaan blijven
van lijden en beiden en slavendrijven,
tot ons licht elke uithoek bedruipen kan.
Dan is het tijd om afscheid te nemen. We vragen
of we misschien een kruik van het bocht kunnen krijgen
in ruil voor een pak koffie. Hij zegt ja,
want hij wil dat we de faam ervan verbreiden.
Hij raadt ons aan slechts een druppel per keer te nemen.
We geven hem gepaste instructies mee
voor de koffie en wensen hem een goede reis.
Als we aan boord van Exorbitans terug zijn halen
we de glazen tevoorschijn en krijgen
van Brand allemaal een slok. Rolfo slaat
meteen aan het lallen en Zark gilt het uit van de pijn
aan zijn ballen, Mim klaagt dat ze niets voelt
maar Brand zegt dat hij zoiets nog nooit heeft geproefd.
Het oranje plastic maakt een eind aan het festijn.

Drie dagen
later is het Mim haar beurt
om ons buitenaards wezen te gaan voeren.
Reeds bij de deur komt haar een sterke geur
van vette modder en muskus tegemoet.
In de bak met zwarte excrementen
die Rolfo daar heeft laten staan, ontdekt
Mim een koek van welriekend parelmoer.
Onze gast heeft haar watervoorraad duchtig
aangesproken en daarmee haar omvang vergroot.
De toegenomen spanning maakt dat haar huls
iets bleker en zelfs iets gezonder oogt.
Met behulp van de robotarmen keert
Mim haar ronding om en constateert
dat de gele spleet zich heeft gesloten.
Tot nu toe lijkt het schepsel geen enkele schade
te ondervinden van haar gedwongen bezoek.
Mim mengt wat mineralen bij het water
en voegt aan de lucht wat zuurstof en helium toe.
Nu ze nog eens naar de huidlaag kijkt
ziet ze dat er heel zwak licht door schijnt.
Juist dan wordt ze terug naar de cockpit geroepen.

Een onrustige
lichtknoop aan de einder
splitst zich in drieën:
twee roodkoperen madonna's,
zwaar in de heupen, laven zich aan het schijnsel
van elkaars troebele stralenrond,
terwijl een kleinere ster, ruimer van koers,
de groene flakkeringen van haar gloed
om hen heen spint in een grillig patroon.
Achter hen doemt een formidabele
gasreus op, omwuifd door zeven lila
en scharlaken sluiers, uitgerafeld
in met elkaar verstrengelde slierten.
Schuin om zijn pupil loenst het gele
oog van een panter, dat onverstoorbaar tegen
de passaatwinden oploeft, lodderig en fier.
We boren ons onder een lage hoek door zijn schil
en worden direct ondersteboven gezwiept
door de eeuwige stormen die in zijn binnenste
laag over laag door elkaars haren gieren.
Ze trekken elkaar het vel over de kegel,
slepen de lappen aan hun nagels mee
en sleuren daarbij Exorbitans naar de diepte
totdat ze een kiel uit haar borstbeen waaiert
en haar koers uitzet recht tegen de wind.
De beweging wordt gelijkmatig. We laten
de nieuwe wereld inwerken op onze zinnen.
We zijn beland in een onbestendig rijk
van eeuwig ongestremde vormen, die ijl
en ontembaar door het halfduister kringen.
Vliesdunne vierkanten, monochroom en opaak
stuwen zich horizontaal voort met een ribbeling
die laconiek hun oppervlak doorvaart.
Soms rijt de turbulentie ze doormidden
en rekken de delen zich op tot oorspronkelijke breedte
of vormen met een andere flard een nieuw geheel
dat zich homogeniseert naar tint en trilling.
Andere vliezen hebben zich gevouwen
in gedaanten die hun wendbaarheid vergroten:
ze hebben hun draagvlak overlangs vernauwd
en deinen ons voorbij in de vorm van bootje
of plooien in elkaar op hun diagonalen,
slaan hun vleugels uit, hun punten omlaag
en glijden als kraanvogels langs ons heen naar voren.
Maar kijk, hoe vluchtig en efemeer zijn deze
levensvormen. De navigatieruit
registreert nog geen schim van hun wezen.
We zijn dus onvoorbereid als over de huif
een zwerm flakkerende gedaanten ons blikveld instroomt.
Ze fladderen om ons heen, ze versperren ons zicht,
Ze laten ons geen enkele uitweg.
Hoog in de schoften, scherp in het snokkende bekken,
duister in de strekking van hun getande,
met huiver getekende vleermuisvlerken,
drommen ze steeds dichter om Exorbitans.
Met de gedraaide hoorn die ze op hun mopsneus
dragen maaien ze in het rond en horken
daarbij de vliezen van hun makkers aan flarden.
Het schip steigert en springt maar slaagt er niet
in de schepsels van zich af te schudden.
Vergeefs laat ze haar ruitenwissers zwieren
en smeert het glas onder hun zwarte lurven.
We vrezen de oriëntatie
kwijt te raken
en zover onder te duiken in de gaslagen
dat hun gewicht te veel wordt voor onze schulp.
Dan vliegen de vliezen verschrikt uiteen. Door de gaten
die zijn uitgespaard tussen de aan de ruit
vastgekoekte dode ledematen
zien we hun vloeken alle kanten opstuiven.
We hoeven niet lang op een verklaring te wachten:
Recht en onherroepelijk suizen we af
op een opengesperde drakenmuil.
Ring na ring, kam na kam, lel
na rauwe lel rolt de nevels uit,
Daar komt een monster, gerild uit een ongeknipt vel,
purper met metallic blauw op de buik.
Uit de ovens van zijn neusholten schiet
het vuurproppen af die telkens nieuwe
vlammen ontvouwen langs Exorbitans' huid.
De schrik deukt onze murwe harten in.
Rolfo's lijf valt ten prooi aan een spasme en Zark
bereidt zich voor op zijn laatste orgasme, Mim
en Brand gillen samen om het hardst.
Tussen een dubbel gelid van puntige molaren
duiken we onder zijn verhemelteplaten
zijn keelgat in. Zijn huig veegt over ons dak.
En dan vallen de stilte en het donker.
Het schip remt uit zichzelf, drijft nog wat uit,
blijft hangen in de put van onze kommer.
Hoe vinden we vanhier ooit nog een weg naar buiten?
Brand herwint als eerste van ons zijn kalmte
en trekt zijn ruimtepak aan om de zwarte
plakkerige brij te verwijderen van onze ruit.
Als hij weer bij ons in de cockpit zit
hebben we al beter zicht op onze toestand.
Er kleeft een vaal en onbeminnelijk licht
aan de gotische gewelven van de drakenvoering.
Met de koplampen aan stomen we langzaam
boog na boog van zijn holle ingewand langs
om elke vouw van het roofdier te onderzoeken.
Dan ziet Mim in de diepte iets blinken,
het eerste teken van hernieuwde hoop.
De aarsster wenkt ons met haar vrolijk pinken!
We persen ons er slechts met moeite door.
Een rilling doorvaart de breedte van de pens.
We zetten onze reis op volle snelheid
en in verticale richting voort.

De volgende
dag gaat Rolfo eens kijken hoe
het staat met onze buitenaardse gast.
Hij is nieuwsgierig naar het innerlijk gloeien
waar Mim van heeft verteld. Hij dooft de lampen.
Door haar matwit vel schijnt een parelend
licht. Rolfo kijkt geboeid naar het malen
van haar diafane ingewanden.
Maar als hij dan de tafel waarop ze ligt
nadert ziet hij het spoor van grauwe builen
en knobbels dat over haar rug slingert
tot waar een zwarte puist uit haar welving puilt.
In de grafieken leest Rolfo voor de laatste uren
een scherpe stijging van temperatuur.
Hij hoopt dat Brand deze ontwikkeling kan duiden.

Pas enkele
uren later ziet Brand kans
om met Rolfo te gaan kijken naar onze loge.
De toestand heeft zich verergerd. Haar buitenkant
is zwaarder door zwarte bulten getekend,
terwijl haar binnenste door onrust wordt omgewoeld.
Een grote roodgetinte zwelling gloeit
zonder regelmaat op aan haar achtersteven.
Onze gevoelens strijden om voorrang: spijt
dat we dit eenvoudige, onbaatzuchtige wezen
geen avontuurlijker bestaan hebben kunnen bereiden
dan ze had op haar eigen doodse planeet,
medelijden dat ze in deze dorre
omgeving sterven moet en weemoed om
het daardoor mislopen van wetenschappelijke gegevens.
Maar plots herkent Brand in het builenspoor
het patroon van het melkwegencluster waar
we ons in bevinden. We krijgen door
dat dit geen ziekte is maar een hemelkaart
waarmee onze buitenaardse vriendin
poogt aan te geven waar ze graag zou zien
dat Exorbitans aanstonds heen zal varen.
Wanneer Mim dan in de bult twee gaten
ontdekt die amechtig snuiven, en opmerkt
dat onze extra neusplug daar goed in zou gaan,
vindt Brand de tijd gekomen voor overleg.
Rolfo begint deerlijk te trillen en Zark
loopt het zweet koud tussen de billen, Mim haar hart
staat even stil als Brand de plug bevestigt.
Terstond verspreidt zich de rust der vervulling
over het lijf van onze gast. De zwelling
slinkt en verbleekt. Haar darmen staken gesust
hun weeën.
De sluitspier om de gaten trekt
zich samen en slobbert de plug naar binnen. We voelen
hoe haar wil elke leiding doorstroomt en hoe
ze het schip in de lijn van haar ruggengraat legt.
Door ons gerimpelde gangenstelsel hollen
we terug naar de cockpit. Exorbitans gulpt en loeit.
We horen haar borstbeen beneden ons kraken onder
het prangend zwellen van haar oermoederboezem.
Juist als we ons in onze stoelen slingeren
zuigt het plastic zich om ons dicht
om zich pas te openen in de buurt van ons doel.

Lurkend, razend, vadsig en nooit verzadigd,
een levende balg van dolgetolde materie,
zo zindert het tussen zijn hyperbolen, de paden
van zwaartekracht en licht, die het verteert:
een polymorf zwart gat, een hemelas
die een melkweg aandrijft met de kracht
van de duistere driften die erin heersen.
Bij het aanzien bevriest ons de kak in de darmen.
Zonder enige trilling of aarzeling duikt
Exorbitans de diepte in. We trachten
haar met de handbediening nog te overtuigen
maar Rolfo haalt de hendels zo hard neer
dat die bij de voet afbreken. We hebben niets meer
waarmee we onze koers zouden bij kunnen buigen
We sluiten onze ogen en onze hoop
is enkel nog op het snel en volledig
samenklappen van elk van onze atomen.
Gemiste kansen schieten door ons heen.
Als Exorbitans begint te bokken
voelen we hoe de eerste schokgolven ons
de ogen indrukken, rukken aan ons gebeente.
Acute doodsangst is slecht vol te houden.
We kijken om ons heen. Alles is zwart,
maar in de navigatieruit bouwen
de cirkellijnen van de zwaartekracht
een opening waar het schip zich door manoeuvreert.
Tussen de velden imploderende materie
ligt een voor tijd en plaats neutrale schacht.
Gestuurd door de wil van onze buitenaardse loods
glijden we stapvoets door de onpeilbare nacht.
Soms herschikt het zwart zijn wanden, of plooit
het zich voor ons dicht, waarop we terugzakken.
Juist als deze gang zich om ons opkrult
opent zich in haar zijwand een krappe tunnel
waardoor we met een zwenk en een draai ontsnappen.
Tegen de lichtsnelheid doorkruist het schip
grotten zo groot als rode reuzen, waar
de zwaartekracht geen zegging heeft. Daarin
zweven ons voorwerpen langs die hier zijn verdwaald:
een voertuig met geperforeerde vleugels,
een dode hond, een raket zonder neus
of staart. We verzinnen hun verhalen.
Soms is de doorgang zo smal dat Exorbitans’ platen
de zone raken waar de tijd al stremt.
De kwamtummist wordt van waarschijnlijkheid schraal
en als zekerheid de elektronen vestigt
wordt alle materie doorzichtig. We kijken
dwars door haar pantser heen. De zone breidt
zich zover uit dat Brands rechterarm wegsmelt.
De schacht verbreedt zich weer en Brand probeert
zijn nieuw verschenen tintelende vingers uit.
Ze kraken als vanouds. Ongedeerd
blijkt ook Exorbitans’ flank als die zich sluit.
Het schip scheert ons door een onvoorspelbare slufter
die zijn oevers vlak voor ons vaneen rukt
om dan
naar rechts een nieuwe grot in te duiken.
In het holst van deze leemte rolt
een gekleurde bal om eigen spil:
een eenzame planeet zonder zon,
een sterrenlichaam zonder vlam of hitte.
Bij het naderen zien we hem deuken en ploppen,
deinen en butsen, bewegingen van een vloeistof
die in vijandige omgeving gevangen zit.
De spectrometer zegt, geen materie
en de bewegingsmeter, geen gewicht;
de dieptemeter vindt geen vorm van weerstand
maar slikt eenvoudig zijn gegevens in
voor de bol, waaruit onomstotelijk blijkt
dat die niets anders is dan een oneindig
dun membraan om het ongewisse.
Dan sproeit Exorbitans haar remmende vuren
en blijft hangen op vijftig meter afstand.
Nu zien we dat de bel bestaat uit twee figuren
die elkaar aanvullen op zijn oppervlak.
Verschuift de
één
een kraag, een voet, een mouw
dan bindt de ander zijn gewaad in, vouwt
zijn waaiers op of zet zijn mijter af.
Babylonische tempelkostuums, velouren
Byzantijns gekleurde stoffen die
ze binnenste buiten keren om met de voering
te pronken, achttien karaats Azteekse sieraden,
minstens twee Griekse hoofden, veertien
Thaise handjes, alles om te compenseren
dat ze niets zijn dan een gebrek aan diepgang.
Om te communiceren met hun twee
dimensies laten we een sonde zakken
tot precies op de naad tussen de wezens
en daar doorheen zenden we onze boodschap,
die luidt: hebben ze weet van een wereld buiten
de hunne, wat is het raadsel dat ze omsluiten
en hoe zijn ze in deze constellatie beland?
U bent gekomen aan de walsche randen
van het universum. Ieder punt
van onze habitat staat in contact
met ieder punt in het tijd-ruimtecontinuüm.
Maar zelf kunnen we geen van die punten bereizen.
Omdat we niet in staat zijn een keuze te bereiken
is ons leven tot deze uiterste sfeer verdund.
Onze vroegste herinneringen zijn troebel en vaag
omdat ze stammen uit een gebied voordat
gebeurtenissen en kenmerken bezit van ons namen.
Er viel niets te voelen, te zien of te horen.
Onze levens vloeiden door een fluïdum
waarin geen belemmering hen kon onderdrukken.
Alles stroomde, overal, altijd maar door.
Toen kwam de fase van de gewaarwordingen,
van stemmen die ons van andere aanwezigheden
op de hoogte wilden brengen, nog
voordat we ons van ons eigen wezen
bewust geworden waren. Van ver weg
kwam ons een wil tot wording grenzen stellen
aan onze onbepaaldheid, onze leegte.
We waren met elf (die wetenschap kwam pas later
maar voor het begrip van onze geschiedenis
is het noodzakelijk het nu al te verraden)
en elk van ons had een eigen dimensie
waarin hij ongestoord heen en weer kon zwerven
zonder ooit iets van de andere te merken
tot sommigen zijn gevallen voor ambitie.
Kom bij ons, schreeuwden ze van de overzijde,
samen kunnen we meer, verbreek je ketens.
Laten we al onze dimensies aaneenrijgen
tot een nieuw universum, ruimer en beter.
Broeders, verdeeldheid houdt ons ieder smal.
We moeten samenwerken volgens
één
plan.
We hebben het al voor jullie uitgetekend.
Het begon met de drie. Hun ontwakend
zelfbewustzijn dijde zo uit dat het
de wereld uit zijn voegen dreef. Ze namen
gedaante aan met behulp van elkaars dimensies.
Die wilden ze tot hoogte, breedte en diepte
van hun eigen wrochtsel stellen. De versiering
wilden ze dan smeden uit de rest.
Ons protest klonk slechts zwak omdat
we niet eens wilden weten wie we waren,
maar de zes waren aan de wordingkanker
ten prooi gevallen en eisten hun eigen plaats.
Laten we alle dimensies analyseren
op sterke en zwakke kanten om daaruit te leren
in welke constructie ze het best samengaan,
stelden ze voor. Daarop lieten de Urgen
de macht van hun hamers spreken. Onder gegrom
dat de door hen afgepaalde rulten
vervulde, daverden hun slagen, spatten de vonken,
zonder dat het hen lukte de zes te raken.
Zo kwam de chaos. Zelfs het raamwerk
van hun ruimte was onherstelbaar gekromd.
Een universum van vuur, van energie
die nergens een rustplaats vindt, maar telkens zich
in een pijnlijke geboorte moet vernieuwen,
waar de elementen elkaar binnen
alles verzengende explosies steeds ontleden
en samensmeden, een universum van leed
waar donkere materie altijd in de meerderheid is.
Toch konden de zes de totale verovering
van de ruimte verhinderen. Tot halverwege
opgedreven legden ze een knoop
die alle dimensies doormidden spleet.
Daarachter begonnen ze hun eigen heelal
dat met de holle begrippen van deze kant
vanzelfsprekend niet kan worden beschreven.
Maar
één
van de zes, de jongste, moest achterblijven.
De drie hebben haar gegrepen toen ze de knoop
wilde doorkruipen naar de andere zijde.
Haar wezen al aangepast op haar nieuwe woonst
moet ze, in een gedaante die haar een gruwel
is, uitzichtloze ballingschap verduren
op een benepen, zurige ruimtekloot.
Wij zijn die knoop. Omdat ons bestaan geen doel
had hebben de zes ons gebruikt voor hun eigen
doelen. We verwijten hen niets. Zodoende
zouden we alleen nog maar meer zelfbewustzijn krijgen.
Het is hier al krap genoeg. Maar als de drie
ooit deze plek mochten vinden dan zullen we die
beschermen met heel onze bekrompenheid.
Voor u ligt de doorgang open. Bovendien
zouden we het prettig vinden u even
van aangezicht tot aangezicht te zien
als u tussen onze lichamen komt doorgegleden.
Wel moeten we u waarschuwen dat alle gedaanten
in ieder opzicht herboren worden aan
de andere zijde, behalve wij alleen
Dit is het einde van het leven zoals we het kennen,
zegt Brand, hier houdt stof op stof te zijn.
Zeg je dierbare vlees vaarwel, verwelkom
je nieuwe lichaam met alle ongerijmde
mogelijkheden die hier op ons wachten.
Maar zoek geen ontsnapping in spijt of angst.
Niemand heeft een keuze aan het eind van de reis.
Hij zegt geen woord te veel. Exorbitans komt
buiten ons toedoen op gang en we kijken
door alle ramen hoe ze haar nobele vorm
in een kier tussen de wachters drijft.
Zij wenden zich naar haar toe en kijken verrukt
naar het eerste verschijnsel dat hun zuchten
beroert sinds het begin der tijden.
De navigatieruit trekt gaten:
de verschrikte ogen van vier maskers
waarin het glas samensmelt. Ze slaan
ons in het gezicht en zuigen zich vast.
De vingers waarmee we trachten ze los te rukken
hechten zich in serpentines aan de kaakstukken
en berusting omkapselt ons oude hart.
Exorbitans' huid bloeit open in ralpse bladeren,
die door de ruimte om ons heen met gejubel
worden onthaald, en kijk, in ons midden staat
een vijfde stoel met een ongedroomd montuur.
Vanachter ons komt het geruis van vele
parsalen, omklingeld door hoge ornimelen.
We draaien ons om, daar komt dwars door de muur
een gestalte van onverklaarbare schoonheid.
Vier worripogno's drijven haar voort door de lucht.
Links en rechts en wirro en hormizool
draagt ze trots op haar schouders haar uiterste bulven.
Haar lichtgevende ogentrossen dimpelen op
en neer langs haar zingende wangenwolken.
Haar kalim staat open. Haar gladde morvat krult.
Warbizengt warbizengt molla virkoe molla
kwattadrengt kwattordilengt. Benko samoe
iene miene molla terpie molla
warbizengt molla. Derbie kwattordie panoe.
Bog widie bog. Walinda bekbik
widie bog bog wie. Walinda kazim.
Warbizengt molla. Nofda terpie dikoet.
Parampadillau togus jotteflautus,
oerbie etorbie und ziggie ekokkie. Solong
saroma somoza peripetija daurie
Osama ozebi obukker obebie degong.
Bog widie bog. Walinda boerba
widie bog bog woer. Warbidie gnoep.
Lamasa bukbuk. Eli enali bedong.
Hoediniehop zakkoem hoediniehol
strombolo spumo likio. Hafdie bazang
rombie beisja. Beribedije borgo.
Misj moemkin misj moemkin, porgneuter bakbak
moemkin pa moemkin, bogneuter progneuter naam
bogporgo pornogno porgnormo norbogmo napog.
Bog wirba bog bog. Zalva diralik nadang.
Regnoem ingeri sklepsemper ufazim wirba.
Ie zimbra ie zimbra. Terpoeter glepsklep idrool.
Brazimo borwizim wizie pa wizie ginkel
Bog wirba bog. Koalinga laitkola
wirba bog bog. Terpoeter torpie zoree.
Wirbeughat wirbeughat terpoeter wadi baleen
warbizengt. Borwizim kizinau horbat idrool.
Knesebek warbizengt laumadok widie worpa.
Sine bekbik sonie hifie samoe.
Filisteek knesebek worpa na widie. Gorba
bog widie bogwa. Jogna liddik grazoek.
Niddik pa jiddik. Sonko mani tirpik
Niddik pa jiddik. Warbizengt skampie padim.
Sjantie sjantie rubie sjantie doek.
