Exorbitans
Do I dare,
Disturb the universe?
T.S. Eliot, The Love Song of J. Alfred Prufrock
Zingend, ronkend, zwanger van
horizonten,
rook van haar geschubde flanken slakend,
zo hangt ze boven het dok, de vliezen kloppend,
de vensters geloken, wachtend tot men haar gaan laat.
Exorbitans is haar naam, want zij zal buiten
elke bekende baan het heelal ontsluiten.
Aan ons de taak haar daarbij terzijde te staan.
Aan
elke pier van de grote ruimtehevel
die over de rand van het zonnestelsel rolt
ligt wel een schip te wachten op het sein van vertrek,
maar geen smacht zo reisbelust als het onze.
Materie en antimaterie, van elkaar
gescheiden in twee bollen, herscheppen de aanvang
van het universum in haar borst.
Door een luik tussen haar schouderplaten
glijden we een voor een naar binnen en komen
in een gangenstelsel: gerimpelde membranen,
overeind gehouden door ribbenbogen.
Boven ons wordt een lamp helderder
die ons, glijdend langs de nok, op de weg
voorgaat en ons naar de cockpit loodst.
We laten ons in oranje kuipstoelen zakken
waarvan het plastic zich naar onze lichamen voegt.
We steken de draadloze plug in onze neusgaten
zodat het schip altijd weet wat we willen en voelen;
Rolfo doet het alsof het zijn plicht is en Zark
of het een pik is, Mim of ze lachen
moet en Brand of hij dit voor de eerste keer doet.
De metalen lamellen van haar oogleden
schuiven uit het midden van elkaar,
waarmee de navigatieruit zich opent.
Tegen de overkapping van aluminium platen
beginnen door het glas schuchtere lijnen
te aderen. Zo kondigen de modaliteiten
van onze reis zich hier reeds aan ons aan.
Cirkels, verlopend van wit naar rood, omkaderen
de zwaartekrachtvelden van de ons omringende
hemellichamen. Van linksboven vlaagt
een zwerm luchtbellen omlaag: de kringen
van een meteorenregen. Gele
vectoren, die over ons heen jagen, geven
de richting aan van de zonnewind.
Dan wordt het geometrisch schema ingevuld
met sterren en nevels als de sluisdeur voor
ons wegzinkt. Het schip slaakt een luide zucht
en verheft haar trillende huif boven de boorden.
Achter ons zwelt een koor van dissonerende,
dwalende stemmen die naar elkaar toe zweven.
Ze stort zich voorover op het vol akkoord.
We vallen alle kanten ineens tegemoet,
voor wordt boven en opzij van ons onder.
De propulsie perst ons in onze stoelen,
waarvan de bekleding zich om ons heen stulpt tot
een slijmvlies van artificiële
zwaartekracht,
waarin onze dromen koel en vers overnachten
en onze lichamen tegen de druk zijn geborgen.
Wanneer we een constante snelheid hebben bereikt
plooit de plastic cocon zich terug, en we zien
dat de eerst zo strak in de ruit staande lijnen
vervloeid zijn tot golven. Onder Exorbitans' kiel
spat het fluïdum
van tijd en ruimte uiteen
in breed uitwaaierende sluiers van jaren en eeuwen.
In haar zog kolkt daar samen met hier.
Wat bij minder vaart nevelslierten
lijken, zien we nu in hun ware gedaanten,
ineengedrongen in verkort perspectief.
Mensgelijke gestalten, rijp van jaren
laten naakt en loom hun spieren rollen
door de tijdsdimensie. Hun borsten fonkelen
van jonge sterren, van meteoren hun baarden.
Dit moet de ideeënwereld
wezen
fluistert Rolfo ademloos, maar volgens Zark
zijn dit door ruimtewezens gemaakte tekens.
Mim ziet het als vergeten goden, machteloos
uitgestrekt naar een tijd waar ze hopen
kans te maken op hernieuwd geloof.
Ik denk dat we eerst eens wat moeten eten, zegt Brand.

Na lunchtijd
sukkelen we aan de periferie
van een mangaannevel als een enorm hoofd
ons langszij komt en zodoende de peristaltiek
van Exorbitans met haar massa verstoort.
Haar diep doorkloofde tronie, die met rijp
bestoven, de eeuwigheid voor haar splijt,
trekt de blauwe wapper van haar vuurstaart voort.
Iets verderop kunnen we haar achterhalen
waar ze zich wendt om haar tweede mystieke brandpunt.
We peilen haar trillingssnelheid met de radar
en beluisteren haar existentiële
zucht.
Daarop vraagt Brand haar waar haar oorsprong ligt
en welke wil haar gevormd heeft tot wat ze is
en wat haar doel van bestaan is en haar lust.
Ik ben geboren in de samenklontering
van rondzwalkende brokstukken en ruimtepuin.
Ik trok mijn ijs tot een mantel om mijn spil
en ijkte mijn ellips, toen diep in mijn schuimende
kern atomen hun slingers begonnen te vlechten,
de steen doorboorden, zich tot cellen hechtten,
zich splitsten en een weg vraten naar buiten.
Tot ik mijn ogen opsloeg en om me heen
de sterren pardoes in de afgrond zag storten.
Mijn prille bewustzijn vermeide zich ermee
epen te spinnen rond hun roekeloze
zelfmoord. Toen begon het me op te vallen
dat constellaties, die ik al eonen lang
verloren waande, nogmaals langs me stoven.
Zo openbaarde zich het heelal opnieuw
aan mij. In elke baan die ik trok zag
ik oude bekenden me blind voorbij schieten,
benieuwd wanneer ik hun terugkomst kon verwachten.
Calculus en exponentieel waren
nog slechts een kwestie van tijd. Ik achterhaalde
de wetten van mijn bewegingen en die van anderen.
Nu is mijn rots verzadigd van kennis en moet
mijn kennis zich weer verharden tot de rots.
Misschien zullen ooit mijn cellen tot nieuwe gloed
ontwaken in dit gesteente, misschien zorgt
hun code ervoor dat mijn opvolgster de kennis sneller
verwerven kan, misschien de steen overweldigen
kan en hem kan sturen naar een fellere zon.
Maar evengoed kan er niets meer uit deze steen
ontstaan dan het blauw dat hij over de hemelvloer strijkt
of een wezen van andere aard, iets dat geen
waarnemingen doen kan, voor zich kijkt
zonder begrip of interesse, een gedrocht
dat eenvoudig te lui is of te stom
om iets van zijn omgeving te kunnen begrijpen.
Dan doet ze er het zwijgen toe, verbitterd
of gestorven, haar baan blijft er eender onder.
Exorbitans legt haar neus in nieuwe richting
en spint ervandoor op de spiegels van het licht. Rolfo
verklaart dat het leven geen nut heeft en Zark zegt, alleen
voor wie er geen kut heeft, Mim hapt naar adem
maar Brand zit al in zijn oranje cocon.

Wanneer we
wakker worden uit de omarming
van ongrijpbare dromen en taai plastic
zien we door het raam dat Exorbitans
ons naar een nieuw onderzoeksobject
heeft gebracht: een kleine, met pokken en korsten
bezette planeet, ondergelopen met modderige
plassen, waarop wellicht leven valt te ontdekken.
Met schuin tegen elkaar in wiekende rotors
plaatst het schip ons precies op een puisterige heuvel
en meet of de lucht hier geschikt is voor onze soort.
Een minuut later zetten we onze neusvleugels
wijdopen voor de zware geur van schimmels,
stilstaand water en welig gistend bezinksel.
De bodem is van ongedierte poreus.
Behoedzaam voor valkuilen en drijfzand dalen we af
naar een vallei waar de stank haast ondragelijk wordt
en stuiten daar op een belangwekkende plant.
Door een fistel, tussen brede, stompe
bladeren die het steeds koelte toewuiven,
steekt een bosje stamperachtige vruchten naar buiten:
harde gladde stelen, bekroond met een knop.
Zark kan zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen
en plukt
één
van de knotsen die makkelijk loslaat.
Hij ruikt eraan, hij knijpt er voorzichtig in.
Zijn handen trillen, zijn ogen lichten op
en dan, tot onze schrik, zet hij zijn tanden
in de dunne korst, die openbarst.
Hij kauwt. Het gulle sap lekt uit zijn mond.
Zarks bewustzijn raakt bekneld tussen
een sliertige woekering van onbekende indrukken.
Beelden en ideeën
strikken zich in lussen
om de hem vertrouwde zieleninhoud.
De aanvankelijke wellust op zijn gelaat
maakt voor een asgrauw getinte afschuw plaats.
Uit zijn mond walmt schroeilucht. Zijn huid schilfert.
De grond begint te beven waar hij neerslaat
en ijselijke kreten stuiteren aan van over de horizon.
Uit holen en gangen komen wezentjes vandaan
die zich voortbewegen op de stootkracht
van hun buikjes, een verplaatsingswijze
waarin ze grote nauwkeurigheid hebben bereikt.
Ze leggen om de plant een strak kordon.
Hun kogelronde, zelfs in stilstand nog
licht op en neer verende lijfjes vertonen
slechts
één
uitstulpsel: een dunne wervelkolom,
waarop een bol draait die dienst doet als hoofd.
Daarin is een wijde mond uitgespaard
die ze voortdurend open laten staan,
want vanuit hun keelopening tuurt hun dofgrijs oog.
Het gros verwelkomd ons op een monotoon dreinen
dat we interpreteren als rouwbeklag,
terwijl het gremium ons meewarig bekijkt
en daarbij met zijn bittere adem bewasemt.
Brand biedt hun onze excuses aan,
zegt niet te begrijpen wat we hebben misdaan
en vraagt hen naar de betekenis van de plant.
Dit is wat wij noemen onze teugel.
Met de vrucht van deze plant beheersen
we ons lichaam. Aan het eind van de jeugd,
als het uit zijn schulp komt en voor het eerst
in beweging schiet, splitsen we het kwiek
een teugel in
één
van de drie openingen die
we allen hebben in ons achterdeel.
Anders zou het zonder enige remming
in het rond gaan bonken, tegen alles
opbotsen, overal zijn beet in zetten
en schade toebrengen aan zichzelf en anderen.
De teugel geeft het lichaam kader en doel
en rust en helderheid, zodat het zijn doen
en laten met enig overleg kan afwegen.
Het lichaam is daarmee niet zonder fouten.
Het kan zich goed vergissen of moedwillig
een andere richting dan zijn teugel houden.
De wrijving tussen de teugel en het lichaam
maakt dat onze opening een rode drek
afscheidt, die, eenmaal droog, het contact belemmert,
zodat het lichaam terugvalt op eigen wil.
Onze intieme hygiëne
is dan ook
een delicate zaak, omdat daarbij
al onze innerlijke strubbelingen naar buiten komen,
maar we ons niet zelfstandig kunnen reinigen.
De wederzijdse teugelwassing geschiedt
alleen op maanloze nachten, als niemand kan zien
hoe het water rood kleurt en schuimt van spijt.
Onze anatomie kent vele toepassingen.
Zo vergaderen voor ons hoogste orgaan
de teugels van onze drie zoenheren
om beurten in
één
hunner lichamen,
terwijl de anderen vastgebonden toekijken
hoe het de extase des besluits bereikt.
Bij reine teugels wordt het tot wet verklaard.
Als er een lichaam sterft verdelen we
de teugel gelijkelijk onder de nabestaanden.
Tijdens de gewijde verbranding eten ze
die gezamenlijk op en proeven zo aan
de gedachten die hun geliefde dreven.
Dit is niet ongevaarlijk want wie te veel
eet kan het zoals uw reisgenoot vergaan.
Dan kijken we naar Zark, die geblakerd
en verstijfd op de grond ligt na te smeulen
en nederig op onze knieën
vragen
we de wezens om tegengif voor de teugel.
Ze vertellen ons dat er niets tegen helpt
en dat alleen het verloop van de tijd zelf
bepaalt of het juichen wordt of heugen.
Pas wanneer we hen onze voorraad bananen
aanbieden in ruil voor de verloren vrucht
tonen ze zich iets meer met Zark begaan.
Terwijl de meesten hun lichaamsholten vullen
met onze geschenken en daaraan zelfs enige
nieuwe gedachten lijken te ontlenen,
geven anderen hem de eerste hulp.
Spoedig stijgen de aswolken al van hem op.
Met lichte, rake klopjes van hun kaken
tikken ze barsten in zijn schildpaddenkorst.
Al kwijlend en soppend smeren ze een laag
taai speeksel over hem uit. Het hardt tot een vel
waar hij met een beweging wordt uitgepeld.
Naakt komt hij tevoorschijn, rozig en blakend
en knippert met zijn ogen en hoest eens flink.
Dan is de tijd voor afscheid weer gekomen.
We wensen hen veel teugelvreugd en stappen in.
Rolfo maakt zich zorgen om de verschroeiende dosis
van Zarks hallucinaties, die zelf meer last van aangebrande
halitosis heeft, Mim ziet het vooral als een catharsis,
maar Brand zit al in nieuwe dromen gezogen.

Van alle
planeten langs onze weg door de ruimte
heeft de kleinste een omtrek van dertig meter
en is opgetrokken uit groenige puimsteen.
Exorbitans zou zozeer op haar massa wegen
dat ze daardoor geheid uit haar baan zou raken.
We besluiten om Mim en Zark te laten
vallen van enige afstand boven de planeet.
Slechts een lichte vering van de tenen,
die het tere oppervlak ongeschonden
laat, voldoet om onze val te breken.
Daarop maken we een eerste inspectierondje.
Geen klimaatgordels, geen magnetische velden,
geen verschillen in grondsoort. Geen heuvel verheft
zich uit de bodem, bedekt met een vlokkig mos.
In deze laag is een spoor uitgegraasd
dat onze leidraad vormt bij verdere verkenning.
Het voert ons naar een wezen zonder kop of staart
of enig ander kenmerk in haar blauwgrijs vel
dan de gele pulserende spleet waarmee ze zich
houvast geeft, en die we pas vinden
als Mim haar met wat moeite los weet te trekken.
We nemen haar mee terug naar het schip
waar we haar in de quarantaineruimte
leggen onder een verhard glazen schild.
Door middel van telescooparmen beplanten we haar huid
met sensoren, die haar consumptiepatronen,
uitwasemingen en chemische gewoonten
kunnen meten en vastleggen voor later gebruik.

In de
diepten die zich uitstrekken bezijden
de melkwegstelsels laat de materie haar snaren
vieren, zodat de tijd vrij spel krijgt.
Het schuim der dagen, met taaie draden,
verzwaart haar deining. Exorbitans stampt
en hijgt maar verstrikt zich in de laaiende val
die haar met zijn tentakels aan zich slaat.
Twee- en driekoppige draaikolken worstelen
daar een nooit voldongen kamp uit in het vuil
van het universum. Ze onthoofden
elkaar onverhoeds bij het kruis,
ze verlengen hun nekken met elkaars
ledematen, bijten zich vast in een staart,
die zich omplooit tot hun zoveelste muil.
Om en om rond Exorbitans' romp
strengelen zich hun kluiven, van ongenoegen
neuriënd,
op jacht naar haar intieme zones.
Ze klapt de borstels uit haar wervelgroef.
Een pijnscheut rilt door de wortels van de tijd.
Het schip wentelt zich in een bres en rijt
zich naar de andere kant, hikkend en boerend
Dan breekt een tijdssliert door de filters achter
de kieuwplaten, en slangt zich verder een weg naar de cockpit
tot boven Rolfo's hoofd. Een plafondlas klappert.
Hij ramt met zijn vuist omhoog de kier weer dicht,
maar een grillige krul slingert zich rond zijn pols.
In een oogwenk rimpelt zijn hand en verdort.
De vangarm lost tot mist op in het licht.
Zwoegend klimmen we op naar geleidelijker gebeuren.
Een gelige nevel is het eerste teken
van nieuwe aanwezigheden. Met gazen vleugels
brengen we zijn weeë
adem tot leven
en laten ons uitdrijven op bestede kracht.
Daar ontwaren we in de verte een man
die zich moeizaam naar ons toe beweegt.
Mim en Brand trekken de pluggen uit
hun neus en ritsen zich in hun ruimtepakken.
Door Exorbitans' keelgat zakken ze naar buiten
en laveren op de vreemdeling af.
Brand vraagt hem hoe hij hier verzeild is geraakt
en met welke bedoeling hij de reis heeft aanvaard
en hoe hij het er in godsnaam levend vanaf heeft gebracht,
wanneer we plotseling zien dat het Jezus is.
Het fluorescerende schijnsel is van zijn gewaad
gesleten. Ruimtestof en roos glinsteren
op zijn schouders. In zijn krans zijn de stralen
grotendeels uitgedoofd. Van ons wegkijkend pulkt
hij aan de huidflarden langs de uitgelubberde
wond in zijn zij. Hij begint te praten.
Mijn hemelvaart is niet rechtstreeks verlopen.
De engelen die mijn wolk opwaarts dreven
jengelden aan mijn hoofd met vragen zo loos
dat ik heimwee kreeg naar mijn farizeeërs.
Hoe was het eten? Is het waar dat de mensen
zich voortbewegen door lucht uit hun aars te persen
en verliezen ze met hun pis ook hun ideeën?
Ik stuurde hen vooruit: ik red me wel,
vertel mijn vader vast dat ik eraan kom.
Ik keek hen na en klom alleen verder.
Ik voelde me moe, weer in de steek gelaten.
Misschien had het hele gedoe me te veel gekost
en had ik er nooit aan moeten beginnen. Ik zocht
een geschikte richel en legde me te slapen.
Veel later werd ik wakker zonder richting.
Ik keek om me heen op zoek naar een punt van herkenning.
Wat zong mijn vader toen hij de sterren schiep?
Ik wist het niet meer, waarheen ik me ook wendde,
de hemel was ik kwijt. Soms vraag ik me af
of ze daarboven nog steeds op me wachten,
of dat ze genoeg hebben aan de vreugde der wet.
We zeggen dat we hem niet kunnen helpen,
maar dat we, mochten we de hemelpoort
ooit ergens vinden, terug zullen komen voor hem.
Daarop vraagt Mim hem of hij iets doen kan voor
Rolfo zijn hand. Hij maakt een tastend gebaar,
en zie, wanneer we in de cockpit staan
blijkt de hand weer maagdelijk als tevoren.

Iets verder
verschijnen alweer de eerste planeten.
Rond een gemoedelijk gedempte enkelzon
zoemen er drie van vrijwel gelijke leest,
waarvan de middelste, blauw en groen blozend,
ons direct verleidt het schip aan de grond te zetten.
Koele zeeën
en zoele continenten
glunderen ons toe vanonder de wolkenzoom.
Exorbitans vliesvleugelt zich verticaal naar beneden
en landt op een weide, omgeven door bosschages:
een plaats zo getekend door fotosynthese
dat we de instrumenten zelfs niet raadplegen
om te zien of we hier ruimtepakken en zuurstof
nodig zullen hebben. De rijpste, puurste
lucht begroet bij uitstappen onze adem.
De diersoorten hier bewegen zich voort op twee
of drie organische wieltjes zonder profiel.
Daarboven wellen allerlei vormen, weelderig
en kleurrijk, veelal symmetrisch doormidden gekliefd.
Ledematen hebben de meeste niet nodig.
Ze leggen zich in het water dat overal stroomt
en zuigen zich vol met de langsdrijvende wieren.
Een dier trekt bijzonder onze aandacht,
nietig en blind en grauw als het is: het rolt
zich voort op een enkel wiel. Zijn staart,
onhandig lang en gepluimd, gebruikt hij om
zijn evenwicht mee te bewaren. Maar wat ons het meest
verbaasd is dat het exact het uiterlijk heeft
van onze hersenen, tot in de kleinste lobben.
Het leeft in dichte kuddes, die een rechte
baan door het verraderlijke landschap volgen.
Stuit het op een obstakel dat niet valt te slechten
en waartegen de voorhoede zich tot pulp botst,
dan kiest het willekeurig een andere route.
De dieren die zich ermee voeden, hoeven
slechts te wachten tot hun maal zich opdient.
Twee van de grotere driewieldieren, goed
voorzien van uitlopers met allerlei handige beitels
en kennelijk in staat tot perceptie, komen ons groeten.
Brand wenst hen namens de gehele mensheid peis
en vree, vraagt hen naar de hersenbeestjes
en of in het verleden iemand van deze planeet
er toe is gekomen naar de aarde te reizen.
Grappig dat u erover begint. We hebben
in onze jeugd vele reizen gemaakt door tijd
en ruimte. Ouder wordend raak je gewend
aan rustiger levensstijl, maar wat is het fijn
om nog eens herinneringen op te halen aan
die mooie tijd van roven en moorden en jagen,
die jaren in de ruimtepiraterij.
We herinneren ons de planeet die u beschrijft
nog goed, vanwege de eigenaardige schuivende
platen en de grote bodemrijkdom.
We hebben de nodige schatten mee naar huis
genomen voor onze nijverheid en landbouw.
Het zou ons misschien sieren daarover berouw
te betuigen, maar alles is inmiddels verbruikt.
We herinneren ons vandaar nog wezens
die voor dezelfde diertjes als u belangstelling
toonden. Op reis namen we ze altijd mee
als handzaam en regenereerbaar rantsoen. Zij hapten
alleen de wieltjes eruit
–
een delicatesse –
om ze vervolgens levend op hun hoofd te zetten
tegen de zon en ermee aan de haal te gaan.
We konden er wel een paar missen
–
ze fokken vlotjes.
Daarbij vonden we het een koddig gezicht. Regelmatig
kwamen we uw dieren tegen in deze uitdossing.
Ze zaten in groepjes langs de kant van het water,
trokken bekken naar hun spiegelbeeld,
vergeleken elkaar, vonden zichzelf steeds
mooier en ruilden totdat de avond daalde.
We danken hen beleefd voor de informatie
en bij het daaropvolgende afscheid bieden
ze ons als souvenir twee diertjes aan.
We moeten afslaan. We zijn al ruim voorzien
van leeftocht, zeggen we, en we hebben
op aarde nog meer dan genoeg van deze schepsels.
Exorbitans popelt om de ruimte weer te kiezen.
Hebben onze hersenen ons denken geleerd
of wij hen, zingt Mim. Rolfo hoopt
dat zich een hemelomspannende wil interesseert
in onze intelligentie, maar Zark geloof
dat die de panne is van een modegril.
Brand denkt volmaakt nieuwe gedachten in stilte
en in het veilig oranje omhulsel besloten.

Aan het
begin van de kunstmatige dag,
als Exorbitans haar ochtendscheten opwarmt,
gaat Zark naar de quarantainehal.
Een week lang heeft onze gast geen enkele stof
opgenomen. Wel heeft ze de buitenste schil
afgelegd van haar nu rozige huid. Er lilt
een teerachtig vocht uit haar weke poriën.
Zark buigt zich over het bedieningspaneel.
Hij stort milde oliën
over haar uit
en sopt daarmee voorzichtig het zwarte zweet
van haar af. Een gootje voert het naar buiten
waar hij het voor analyse drogen laat.
De obsceniteit van de blinde bolling maakt
hem ongemakkelijk. Hij verlaat de ruimte.

En
voort maar
weer door de vetlagen van het heelal,
tot we tenslotte bij een hemelkwadrant
uitkomen, waar we nieuwe vormen van leven
hopen te kunnen waarnemen. Exorbitans
verbreedt haar greep op de stuwingen in het duister.
Nog een enkele zindering, en de sluier
van de werkelijkheid stolt om haar kap.
Vastgekleefd aan de buik van meteoorgesteente
scheert een slinger harige wezens, de kammen
en baarden alle zeilen bij, langs ons heen.
De radio springt aan en laat een extatisch lallen
horen, maar schiet meteen door het rood.
De luidspreker fluit een ijle, zielloze toon.
Exorbitans kan hun vreugde niet bevatten.
Deze jubelt ons sneller voorbij dan gene,
afhankelijk van de door hem bereden kluit.
Heftige gebaren naar zijn wakke delen
vormen zijn afscheidsgroet aan tragere ruiters.
Soms komt een zadel in een spin terecht
die afbuigt van de gemeenschappelijke bestemming
en zijn last van zich afwerpt, met wapperende pluimen.
Een enkeling gebruikt de stootkracht die de botsing
met de stenen van zijn gezellen hem meegeeft
om meer vaart te maken. We bewonderen
de precisie waarmee hij de hoek berekent
van inslag, zijn wendbaarheid, de sierlijke guirlandes
die hij om de anderen heen spint, de spatten
waarmee hij zijn pad markeert van scherven en veren.
Maar kijk, aan min of meer dezelfde gang
wacht allen in de diepte eenzelfde eind,
waar een dappere pulsar zijn code, gebald
in twee strakke bundels, de hemel inseint.
Het komt ons voor alsof hij telkens even
sputtert als van dit drieste ras er
één
de actieradius van zijn vlammen bereikt.
Links verheft zich de Eierstok van Noet,
een nevel, befaamd om zijn hoge sterrenproductie.
De bloemige zwellingen gloeien vermiljoen
in het inwendig licht van de zwangere vruchten.
Her en der breekt uit de gasomkluistering
een eerste gil, een bol, een bil, een buik,
een lichtstraal die de boreling naar buiten drukt.
Op ruime afstand van de staande kolom
slijpt Exorbitans een warse schroefdraad omhoog
tot we bovenin, waar het sterrenstof
dunnere vezels trekt, een gebulder horen
dat zich door de damp die hier hangt verspreidt.
We sturen het schip in een strakkere baan en bekijken
of het geluid organisch wordt veroorzaakt.
Om de strengen nog ongevormde materie
waarin de nevel zich opsplitst, geven drie
giganten zich houvast met hun onderleden.
Voortdurend brullen ze het uit, ze gieren
met wijdopen mond en schudden daarbij hun woeste
krullen op hoofd en rug in scheppingsroes.
Ze laten hun billen kletsen van plezier.
Hun machtige handen, elk met zeven vingers,
persen het gas samen tot ruwe klompen
die ze tot sterren in allerlei vormen en tinten