Het martelaarschap van
Catharina[1]
Ik sta nog overeind. Ik ben bereid.
Haar hemel mag zijn schalen op mij breken
van vuur en zwavel, met de splinters van
het rad waarop ik haar had willen breken
ontzetting, dood spatten in het publiek,
hij noch zijzelf kunnen mijn hand doen beven
om het gevest. Haar blanke hals ligt bloot.
Spuit straks haar bloed tegen mijn witte kleren
dan blijkt het wit als melk, ten teken dat
ik niets genomen heb wat mij niet toekwam.
Zij zegt me dat de waarheid in haar leeft.
Dat kan wel zijn. Maar voor hoelang? Vanochtend
heb ik nog vijftig wijzen hier ter dood
gebracht die mij zowaar hetzelfde zeiden.
Ik heb geen waarheid nodig voor mijn werk.
Wie zich op dit moment keizer mag noemen
regeert mijn hand, zolang als dit moment
zich uitstrekt. En als straks over de Alpen
die Constantijn zijn heerschappij hier grondt,
mag hij haar leven en haar waarheid wreken
zolang hij kan. Zolang zijn waarheid duurt.
Zolang hij wil zal ik, getrouw, hem dienen.
Mijn vingers liggen rustig om haar kin.
Geen oude haat, geen hoop op liefde later
beheersen mij, en ik beloof haar niets.
Ik bied alleen het scherpste van de snede.
Voor haar zoals voor mij bliksemt het heden.
[1] Dit gedicht is gemaakt voor het project ‘Sprekende schilderijen’ binnen de expositie ‘The World of Lucas Cranach in Bozar, Brussel, 2010-2011.