Drift

home

tekst

geluid

links

spul

Drift[1]

 

wij zijn jong en wij stinken

met stront aan onze kuiten

trappen wij gods wegen af

wie vaart heeft heeft geen honger

wij drinken opwaaiend zand

 

wij klapwieken de lucht aan

flarden met onze vleugels

gescheurd uit de huid van de

autowrakken langs de kant

gesnoerd om onze armen

 

als eenden over water

zo lopen wij over heet

asfalt dat wij straffen met

de onder onze voeten

vastgebonden wieldoppen

 

elk wegdek laat zijn steenslag

in ons blikken eelt achter

waar schimmels zijn is voedsel

wat niet rot dat verteert niet

wij zijn jong en wij stinken

 

wij klieven ons de schedel

op de scheiding, geven ons

denken licht en lucht en de

hersenpap een zonnekorst

hoor, in de eikenkruin zingt

 

een stem zichzelf uit stugge

woorden een lichaam aan, als

het tegen de morgen zwaar

genoeg geworden is stort

het met takken en al naar

 

beneden, breekt zijn eerste

botten en sluit achteraan

onze adem is heet en

kruidig en doodt de vliegen

ons borstbeen is een steenbijl

 

en onze oksels zijn een

valkuil voor ongedierte

omdat wij in niets meer van

elkaar verschillen hebben

wij ons beeldschermen over

 

het hoofd getrokken, als groet

rammen wij bij elkaar het

ruitje in en herkennen

ieder aan zijn eigen merk

het wegdek scheurt open waar

 

onze voeten het raken

het verstuift in de schrale

wind die er zand over blaast

wij zijn jong en wij stinken

soms hangt een droge lap vlees

 

ons stukgewreven tussen

de dijen als wij al zijn

vergeten wat die ooit is

geweest, we snijden het in

repen en geven die de

 

zwakken om op te kauwen

je kunt wel pissen naar de

hemel maar de hemel pist

toch altijd harder terug

we legen de fles, dan slaan

 

we die op ons achterhoofd

kapot en zetten ons de

scherven in als nieuw gebit

onze vader heeft zijn hart

begraven langs de kant van

 

de weg toen hij dronken was

soms, op zoek naar wat knollen

of wormen, vinden wij het

daar en meten zijn wortels

voor wij het terugstoppen

 

wanneer wij slapen zijn wij

op dezelfde weg, maar wij

zijn het niet die lopen, het

is de weg die verder wil

en aan onze voeten rukt

 

onze tieten klapperen

als struisvogelvleugels, zijn

onze tepels droog en slap

dan draaien wij ons bouten

in die glimmen van de lust

 

onze huid spant zich strak als

aluminiumfolie

en zingt om onze spieren

onze buik is de snaredrum

van onze haast en onze

 

heupgewrichten gieren op

het gruis van onze botten

wat niet zweert dat leeft niet meer

wat jankt kan nog niet dood zijn

wij zijn jong en wij stinken

 

voelen wij ons bloed niet slaan

dan ritsen wij de borstkas

open en met koele hand

knijpen wij ons hart op gang

wie dood is steken wij in

 

de grond, ‘s nachts graaft zijn ziel zich

door zijn reet naar buiten en

moet naast ons zijn weg als mol

vervolgen, tot een van ons

hem uit zijn gang wipt, vilt en

 

afkluift en hem zo bevrijdt

 

[1] Was het eerste gedicht dat ik in Crupies schreef, in Zuid-Frankrijk, waar ik later nog veel heb geschreven. Op het voorterras, in de zon. Ik herinner me een allesverzengende behoefte om iets te maken (daar had ik lang niet de kans voor gehad) en verder een volslagen leegte. Er schoot me een regel te binnen van Erik Lindner, ‘ik ben jong en ik stink’. Toen ik die in het meervoud zetten begonnen er dingen te gebeuren. In de tijd van de vegtlijnen voerde ik dit vaak uit met Elise de Vliegher, met veel spring- en tilwerk.