De toekomst toegewend

De toekomst toegewend[1]

welkom in Veluwestad

waar de straten droog zijn, waar de huizen pal staan, waar uw leven zinvol is

waar de algenadem van verdronken geliefden ons op de ochtendnevel komt toegewaaid en ons laat raden naar oude verhalen

waar de kinderen, het rafelig merkteken van de vloedmeesters in hun blonde wang gekerfd, voetballen op stelten

waar je elke dag een nieuwe naam moet verzinnen omdat niemand de namen van gisteren  kent

waar we achter de dijken de torens van de westelijke steden scheef zien zakken van hun voze fundament, voegen uitgebeten, stenen hol gespoeld

het water is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar de straten geen herinneringen herbergen aan onze ondergelopen, afgedreven levens

waar de schuimers zich van hijskraan naar hijskraan slingeren, slapen in hangmatten van betonstaal, leven van de verkoop van gesnaaide dakpannen

waar we gebouwen optrekken aan de hemel, lichter dan lucht, sterker dan de grond, soepeler dan water

waar iedere kamer hetzelfde grondplan heeft, waar alle lampen op hetzelfde tijdstip aangaan, waar ieder uitzicht wordt omrand door hetzelfde raam

waar krom pijn en rochel op de buitenste dijk de vloedmeesters elke avond hun borstkramp over de tijdloze golven laten kaatsen

de toekomst is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar de dageraad ons komt wekken met de geur van vers gestort beton, lysol en ongebluste kalk

waar de gulzig stuiptrekkende geschutskoepels iedere wolkenkrabber bekronen

waar het noodlot altijd zijn broek aanhoudt

waar geen muur zo hard is als onze spieren, geen dijk zo droog is als onze tong, waar geen weg zo ver reikt als onze blik

waar we stenen van vlees bakken waar we stenen van algen bakken alles om de klei uit de grond maar te sparen

waar de vloedmeesters de tijd niet hebben om fouten te maken

heimwee is niet onze vijand

 

 welkom in Veluwestad

waar niemand wordt toegelaten voor wie geen plaats is op de steigers

waar de vloedmeesters zich door hun gezellen over straat laten zeulen in draagstoelen met steeds uitzinniger boegbeelden

waar de flats uit het lood staan van de gezwellen op hun gevels, de kloppende schuilplaatsen van nieuwkomers

waar de regens van vroeger elke verse laag specie komen besprenkelen met de weemoed, de weemoed

waar altijd de mist van betonstof hangt, waar ieder zich de tanden vlak knarst op het gipsgruis

waar meer mensen sterven aan vallende bakstenen dan aan ouderdom

wanhoop is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar ieder geluid op den duur op de branding gaat lijken

waar eenzaamheid een andere naam voor verraad is

waar we geen tanden nodig hebben omdat de angst zeepokken afzet op ons tandvlees

waar de vloedmeesters de wil van de golven voorspellen uit de kleuren in het parelmoer

waar niemand wordt toegelaten die niet zijn gewicht in bakstenen meebrengt

waar de woonwijken sneller doorkruist kunnen worden omdat geen geschiedenis de voetstap vertraagt

waar de gekrijs van de everzwijnen die 's nachts hun gebied terugeisen tegen de steigers omhoogklimt als ze door de schuimers worden verschalkt

zweet is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar de steigers altijd hoger reiken dan onze dromen

waar niemand zich afvraagt welke slavenstammen de met elke verdieping zwaardere gebouwen uit de ondergrondse gewelven naar boven tillen en onwrikbaar houden

waar de vloedmeesters hun teken achterlaten op alles wat de stad in- of uitkomt

waar iedereen zijn eigen leven verzint en zich ervaring toebedeelt naar behoefte, niet voor ongelovige anderen, maar voor zichzelf

waar we ruiten trekken van tranen, waar we ruiten trekken van zweet om het zand in de grond maar te sparen

waar de hijskranen, krom van de nesten en korven van de schuimers, in hun val minstens vijf andere kranen meesleuren

de hemel is niet onze vijand

 

 welkom in Veluwestad

waar het succes van een mens wordt afgemeten aan de afstand die hij boven het waterpeil woont

waar de botten van de aangespoelde lijken worden gebruikt om het beton te wapenen

waar de wolken zo zwaar zijn dat woningblokken er hun fundamenten in hebben, die we verlengen tot we ze op de grond kunnen metselen

waar elke ochtend de westelijke stranden volgepakt liggen met het wrakhout van verschelpte steden, het materiaal voor ons schaarse meubilair

waar de vloedmeesters zich aan met hun daden bestikte zeilen naar het huis der beslissingen laten vliegen

corruptie is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar de westenwind altijd slecht nieuws brengt

waar het eelt dat we van onze handen snijden de basis vormt voor een nieuw soort kunstmarmer

waar nieuwe gebouwen met kabels tussen de gevestigde worden gehangen opdat ze de grond niet hoeven te raken

waar niemand een ander van voor de vloed herkennen wil

waar het paviljoen van de vloedmeesters ons afschermt tegen regen, ons de zon uit de ogen houdt

waar de geschiedenis met elke dag droger wordt

waar de boten van de vluchtelingen de bekisting vormen van nieuwe huizen

jaloezie is niet onze vijand

 

welkom in Veluwestad

waar de vloedmeesters zelfs de geheime naam kennen die u uzelf geeft

waar we stenen eten en metselen met oud brood

waar  melodramatische eikenwortels de fundamenten vormen voor  de huizenblokken

waar het geluid van de branding altijd dichterbij lijkt te komen

waar onze longen beslaan van het inademen van de eeuwige nevels, waar we stukken zeewier ophoesten

waar we geen gordijnen nodig hebben omdat de mist onze ramen elke dag afzet met een verse algenlaag

waar een potvis zich met zware staartslagen door de straten werkt op zoek naar de Noordwestelijke Doorvaart

dorst is niet onze vijand

 

[1] Geschreven voor de expositie Veluwestad, in K13, Velp, samen met beeldend kunstenaar Hans Jungerius. De vorm is grotensdeels gejat van Howl, van Allen Ginsberg, waar ik in die tijd nogal mee bezig was.

home

tekst

geluid

links

spul